Telkens als ik langs de bouwplaats van het nieuwe Cultuurpaleis aan het Spui loop, bekruipt mij een gevoel van ergernis. Ik ben al lang het spoor bijster welke problemen er bij het project zijn; of de bouw inmiddels is hervat of nog steeds stil ligt en ik weet al helemaal niet hoeveel miljoenen het inmiddels duurder gaat worden dan destijds plechtig beloofd. Nee, de ergernis is dezelfde als toen de sloop van de oude zalen nog moest beginnen: namelijk de zinloosheid van deze geldverslindende onderneming.

De bouw van de Anton Philipszaal en het Danstheater was begin jaren tachtig van de vorige eeuw ook omstreden. Er woedde een heftig debat in en buiten de raadszaal over de noodzaak van twee nieuwe theaterzalen. En toen de politiek eenmaal zover was, moest het orkest naar het Spui en het NDT naar Scheveningen. Gelukkig zaten er op het ministerie van cultuur verstandiger mensen dan in de Haagse gemeenteraad. Het rijk deed een fikse bijdrage, mits beide gezelschappen aan het Spui zouden worden gehuisvest. ‘Schandalig, chantage’ briesten sommige lokale politici, maar uiteindelijk wogen de duiten zwaarder dan de principes.

Terugkijkend kunnen we stellen dat de Spui-zalen een injectie vol levenselixer voor de verpauperde Haagse binnenstad zijn geweest. Een gapend gat in het centrum kreeg ineens een culturele bestemming. En zelfs verklaard tegenstander PvdA-wethouder Adri Duivesteijn zag daardoor het licht. Plots wilde hij geen nieuw stadhuis meer op ’t Monchyplein, maar aan het Spui. En even plotseling wilde hij dat de plannen voor een klein theater achter de Schouwburg aan de overzijde van het Spui zou worden uitgevoerd. Met een nieuw Filmhuis en centrum voor beeldende kunst erbij ontstond een compleet cultureel cluster.

De beoogde symbiose tussen orkest en dansgezelschap is in die kwart eeuw samen aan het Spui niet tot stand gekomen. Het RO voelde zich simpelweg te goed om onzichtbaar in de orkestbak te musiceren. Bij het NDT nam gaandeweg de behoefte af om met live muziek op te treden: een tape afdraaien is veel goedkoper. Zo ging ieder zijns weegs. Het bleek zelfs niet mogelijk om zaken als horeca, schoonmaak of de kassa samen te doen. Het enige waarin de twee buren elkaar vonden, was de verwaarlozing van de gebouwen.

En zo kon het gebeuren dat sluipenderwijs het idee ontstond voor een nieuw cultuurpaleis, want er is altijd wel een wethouder die een monumentje voor zichzelf wil oprichten. Plotseling heette de Philipszaal een bouwval. Onzin, want de concertzaal is destijds degelijk gebouwd. Er was alleen veel achterstallig onderhoud. Men had wel een punt bij het Danstheater. Deze schepping van architect Rem Koolhaas was opgetrokken uit bordkarton. Niemand zou het in zijn hoofd halen het Rietveld-Schröderhuis in Utrecht te slopen. En in het Van Doesburghuis in de Franse stad Meudon pompt de Nederlandse overheid elke tien jaar bakken geld, anders stort het in elkaar. Maar Den Haag aarzelde geen moment om het eerste bouwwerk van de inmiddels wereldwijd met prijzen overladen Koolhaas tegen de grond te slaan.

De financiële onderbouwing van de nieuwe Cultuurtempel doet denken aan de manier waarop bij vliegveld Lelystad wordt gesjoemeld met geluidsoverlast. Als iedere Hagenaar straks twee keer per week naar het Danstheater gaat en er ook nog een avond en zondag-matinee van het Residentie Orkest bij pakt, komt men uit de kosten. En dat terwijl de bezoekcijfers van zowel RO als NDT al jaren achtereen dalen. Maar laten we vooral niet vergeten hoe geweldig straks de kruisbestuiving zal worden tussen de twee gezelschappen en de studenten van het eveneens in de tempel gehuisveste Koninklijk Conservatorium. Dream on!

Je ziet vaker dat politici in hun eigen fantasieën gaan geloven. Gelukkig vallen we geen land binnen op zoek naar niet bestaande wapens en kost het geen doden. Alleen enkele honderden miljoenen. Succes kent altijd vele vaders (of moeders), maar dit debacle ook. Achtereenvolgens Jetta Kleinsma (PvdA), Marjolein de Jong (D66) en uiteindelijk Joris Wijsmuller (Haagse Stadspartij) hebben hier samen met VVD en CDA hun schouders onder gezet. En dan te bedenken dat uitgerekend de rebelse Joris zich jaren achtereen vierkant tegen het prestigeproject verzette. Bij de verkiezingen van 2014 groeide de Stadspartij als kool, omdat velen uit protest tegen het Cultuurpaleis nu hun steun aan de oud-kraker gaven. Maar Joris zat nog maar koud op het pluche of hij draaide om als een blad aan een boom. Noem het burgemeester in oorlogstijd of laat er de wijsheid dat macht corrumpeert op los, in elk geval heeft degene die tijdens de college-onderhandeling in 2014 ervoor zorgde dat Joris Driepinter wethouder van cultuur werd, een meesterzet gedaan. Zadel de grootste dwarsligger maar zelf met het hoofdpijndossier op! Hoeveel Hagenaars heb ik al niet gesproken die spijt hebben van hun stem op de Stadspartij. Zelfs kiezersverraad kent zijn grenzen.

Print Friendly, PDF & Email