Hans Kraay en ik hebben een keer op een zondagmorgen te zijnen huize geluisterd naar Rachmaninovs Derde Pianoconcert en na afloop afgesproken deze luisterkunst wekelijks te zullen herhalen, dan hij bij mij, dan ik bij hem, afijn de week erna lag te mijnen huize de Arabesque van Schumann en enkele scarlatti-sonates waaronder de langzame in E in volle afwachting op de draaitafel. Ipods bestonden toen nog niet.

Wijzelf, Kraay en ik, konden helaas zelf niet pianospelen, wat we altijd bedroefd hebben ervaren als een ongelooflijk kwijnend hiaat in onze rode opvoeding, maar zie, in alle haast om nog iets van het leven te maken, beschouwden we die zondagmorgen elke maat als een nieuw wonder en lieten ons frapperen door de sprankelende tonen, die tot onze vreugde zo heel anders klonken dat die van een remmende trein met voetbalvandalen.

We hadden de ballen verstand van muziek, maar beseften op die ochtenden meer dan ooit de verlammende werking van de patjepeeërswereld waarin wij ooit door denkluiheid waren weggegleden en nog steeds voorttobden. In die schaamte besloten we voortaan elke zondag een ogenblik weg te vluchten in de koninklijke waardigheid van de klaviermuziek, tot de klok elf sloeg en we weer als een speer die voetbalbus in moesten – het onbehagen tegemoet.

Wat een heel andere wereld was dat zo ineens, zo op die prachtige zondagmorgen, Kraay en ik, met onze oren tussen quadrafonische speakerboxen en met ogen waarin ons maar al te dikwijls de ontroering te machtig werd. Wij luisterden naar iets wat we niet kenden en we hamsterden de tonen. Als Rachmaninov in Culemborg een koffieconcert gaf lieten we de koffie staan, zwaaiden de deuren open en begaven ons in de tuin, die bij de Kraayen nergens begon en ook nergens eindigde. En ondertussen weerklonk dan vanuit de huiskamer de pianistiek waarvoor wij hadden gekozen, begeleid door het knerpende grind onder onze voeten. Het was alsof heel Nederland naar elders was vertrokken en er geen voetballer bestond.

Waarom Rachmaninov? Ik kan deze vraag in alle rede en duidelijkheid beantwoorden: omdat we zo gauw geen andere langspeelplaat konden vinden. Voor hetzelfde geld waren we onze serie begonnen met Schumann, Mozart of wie weet zelfs Liszt. Het ging ons niet om wie, het ging ons om de ontdekking van een afwijkende beleving, om de heilzaamheid van een korte vlucht: muziek als valium voor twee mensen die even geen zin in een steekpass hadden.

We sneden een brie en luisterden. Een uur. Twee uur. Om tenslotte in het laatste kwartier toch nog even tot een goed gesprek te komen. Stoel achterover, voeten op tafel. Hans Kraay: diep liggende ogen, met daaroverheen wenkbrauwen als zonwerende jaloezieën. Klein sigaartje. Een charismatische, mediagenieke en dominante man, die even makkelijk met je op zeereis ging als met je ruziede. Een onvermoeibare verhalenverteller en dan ineens kort en krachtig een tong als een pincet. Ik heb hem overal meegemaakt en overal kreeg hij bij elk nieuw begin altijd iedereen weer knielend aan z’n voeten. Vaak ook op de bluf.

Kraay had ‘t, Kraay had ’t helemaal.

Alleen die hyperventilatie. Dat was zijn achilleshiel.

Ik vroeg me vandaag af wanneer ik hem voor ’t laatst zag en heb gesproken. Dat was macaber genoeg bij de begrafenis van Cor Veldhoen. Dat is alweer twaalf jaar terug. De tijd vliegt. Die van ouwe Kraay is nu stil gelegd.

Tekst: Jan D. Swart

Print Friendly, PDF & Email