Nu er steeds minder rechtstreekse getuigen van de Tweede Wereldoorlog overblijven, moeten we de tastbare overblijfselen van dat verleden koesteren, vindt Tweede Kamervoorzitter Khadija Arib. Die kunnen het leed en onrecht van toen laten zien én de moed van degenen die zich daartegen hebben verzet. Arib stond op de ochtend van 4 mei, de Nationale Dodenherdenking, namens de Eerste en Tweede Kamer stil bij de slachtoffers. Dat deed ze bij de Erelijst van Gevallenen 1940-1945, waarop 18.000 namen van militairen en verzetsmensen staan die in de de oorlog zijn omgekomen. De lijst ligt tentoongesteld in het gebouw van de Tweede Kamer aan het Binnenhof.

De Kamervoorzitter vergeleek het Binnenhof met een zogeheten geheugenpaleis. Wie zich zo’n denkbeeldig bouwwerk inbeeldt, kan de vertrekken vullen met herinneringen en die gemakkelijk oproepen door de kamers weer te bezoeken. Zo kunnen volgens Arib ook plaatsen als het Binnenhof, waar verzetslieden zijn gefolterd en omgekomen, dienen om de herinnering levend te houden. Wie er ronddwaalt, kan de geschiedenis haast voelen.

Arib onthulde een steen ter nagedachtenis aan verzetsheld Gerrit Kastein, die op het Binnenhof de dood vond. Hij sprong tijdens een onderbreking van zijn verhoor, om te voorkomen dat hij kameraden zou verraden, met stoel en al uit het raam. Het Binnenhof werd in de Tweede Wereldoorlog gevorderd en herbergde onder meer de Gestapo. Tijdens de plechtigheid droegen leerlingen Ebenezer Appau, Monira Sharifi, Akeed Abdo en Shivani Ramharahk van de Haagse scholengemeenschap Johan de Witt zelfgeschreven gedichten voor. De voorzitters van beide Kamers en premier Mark Rutte en staatssecretaris Paul Blokhuis legden kransen.

(de Erelijst van Gevallen 1940-1945 met op de achtergrond de vier Haagse leerlingen Ebenezer Appau, Monira Sharifi, Akeed Abdo en Shivani Ramharahk; foto met dank aan de NOS)

Print Friendly, PDF & Email

Reageer op dit artikel