Er is de afgelopen tijd bijna geen week voorbij gegaan of een nieuwe rel rond Facebook trok de aandacht. Maar ondanks alle stormen is de exodus van gebruikers uitgebleven. Teveel mensen zijn immers gek op Facebook. Alleen in Nederland al 10 miljoen. Pas in de zomer van 2012 kwam ik er achter dat ik ook lid was van Facebook. Maanden achtereen had een lieftallige collega aan mijn hoofd gezeurd om op Facebook te gaan en telkens had ik geweigerd, tot ze mij op zekere dag meldde: “Je zit al lang op Facebook en je hebt maar één contact: Tina E.”

Ik raakte pas overtuigd van haar gelijk, toen zij mij het daadwerkelijk op het scherm liet zien. Ik ploegde door mijn herinneringen en langzaam begon te dagen hoe het was gegaan. In 2007 verzorgde ik wekelijks een culinaire column voor dagblad De Pers. Hoofdredacteur Ben Rogmans nodigde mij op zeker moment uit lid te worden van LinkedIn. Hoewel de zin ervan me compleet ontging, voldeed ik aan die uitnodiging. Ik vond Ben een inspirerende man, die bovendien digitaal veel verder ontwikkeld was dan ik, dus het zou wel goed zijn.

Een paar dagen later kwam er een vergelijkbare uitnodiging van Tina E. In de veronderstelling dat het om precies hetzelfde ging, zei ik ook ja. Laat ik er eerlijk bij melden, dat als de beeldschone Tina me had gevraagd voor een lezing bij de Bhagwan of de Scientology, ik wellicht ook had ingestemd. Maar goed, terwijl ik in de navolgende maanden wel serieus aan de slag ging met zaken-netwerk LinkedIn, vergat ik Tina en vergat ik Facebook.

Maar ik leek wel de enige op de wereld die een leven leidde zonder Facebook. Mijn kinderen, mijn gepensioneerde broer, ja zelfs mijn hoogbejaarde schoonmoeder zaten allemaal op The Social Network. Ze vonden vroegere buurmeisjes terug, oude schoolvrienden, teamgenoten van de voetbalclub, verloren liefdes etc. Ze bleven op de hoogte van huwelijken, scheidingen en verre reizen. Een no-nonsense-collega verzekerde mij zelfs dat als ze voor een artikel een roodharige Aziaat met een mank been en een bochel nodig had, ze die via Facebook binnen een dag had gevonden. Ik vond het allemaal best. Ik kon mijn tijd wel beter gebruiken.

Gaandeweg stak ook irritatie de kop op. Ik stoorde me aan die slecht opgevoede collega die ongevraagd een weinig flatterende foto van mij op haar Facebook-account zette. Om maar te zwijgen van de verkoopmedewerker die – liever lui dan moe – zich achter zijn bureau een waterhoofd Facebookte. Een inmiddels AOW-gerechtigde collega was zo snugger om in zijn allereerste Facebookbericht aan een vriend te schrijven over de penibele financiële situatie van het bedrijf. De wijsneus besefte niet dat iedereen dat kon meelezen.

Het bleek nog erger te kunnen. Naast Facebook kregen we ook Twitter. De jongedame die in 140 ongenuanceerde tekens twitterde dat ons bedrijf een subsidie van de gemeente Den Haag kreeg, bezorgde mij met haar onbezonnen daad een lawine aan boze mails, brieven en telefoontjes, als ook vragen in de gemeenteraad en een honend artikel in De Telegraaf. Twitter, mijn hemel. Wat moet ik met al die mensen die zichzelf zo belangrijk vinden en voortdurend laten weten waar ze zijn, wat ze doen en hoe ze over iets denken? Het zal me al worst wezen wat Donald Trump vindt, laat staan Frans Timmermans, Georgina Verbaan of Dries Roelvink.

Ik geloof meteen dat Facebook, Twitter, Instagram etc. een zegen kunnen zijn voor aan huis gekluisterde bejaarden, eenzame mensen en balende pubers, maar ik hoef het niet. En toen bleek ik dus in mijn naïviteit reeds vijf jaar eerder zelf in de val van die doortrapte Mark Zuckerberg te zijn getrapt. Zelfs met hulp van een IT-slimme zoon kostte het destijds uren om aan deze eigentijdse Rattenvanger van Hamelen te ontsnappen.

Ik heb dus genoten van de zweetdruppels op het voorhoofd van die gluiperige Zuckerberg toen hij voor de Amerikaanse senaat zijn zoveelste spijtbetuiging liet horen. En toen Europa hem weken daarna pas echt het vuur aan de schenen legde. Ik heb gejuicht bij de tijdelijke koersval (met miljarden tegelijk) van Facebook. Ik smulde toen ik in De Volkskrant de column van Sheila Sitalsing las over haar kinderen die Facebook inmiddels iets voor bejaarden vinden. En zelfs die irritante Arjen Lubach met zijn piepstem stal mijn hart door zich van het platform af te keren. Als klap op de vuurpijl was er dan ook nog die stakker van een Dotan, die de social media misbruikte om zichzelf als heilige te presenteren. Wat een narigheid.

Maar ik heb te vroeg gejuicht. De mensheid (er zijn anderhalf miljard dagelijkse gebruikers) wil anders. “Ik vind Facebook hartstikke leuk. Ik blijf prima op de hoogte van alles,” zegt mijn broer, die aan de andere kant van de wereld woont. Bij een recent bezoek aan het exotische eiland waar hij gelukkig is, sleept hij me mee naar zijn computer. “Hier kijk, ken je Fientje nog? Die vroeger naast ons woonde? En heb je gezien wat een leuke dingen Diederick de laatste tijd doet?” Dan begint hij plotseling over een oud-collega van me. “Die met die mooie ogen.” Ik weet meteen op wie hij doelt. “Hier moet je eens kijken. Wat heeft die in een paar jaar tijd een oude kop gekregen hè.” Het is inderdaad ontluisterend. En ineens weet ik dat dit voor mij een extra reden is om ver weg te blijven van social media. Exact dezelfde reden als waarom je reünies van school beter kunt mijden. In mijn beleving blijven Graziella, Patricia, Liz, Erica en Sietske altijd 18-jarige schoonheden… voor eeuwig jong, fris en vol levenslust. Laat me lekker die illusie.

Print Friendly, PDF & Email