Terug in Den Haag. Ik snuif de typisch Haagse geur tot diep in mijn longen. Mijn stad, waar ik geboren en getogen ben, totdat ik een niet-alledaagse diplomaat tegenkwam en de liefde overwon. Zo’n jaar of zeventien zwerven we nu samen over de wereld. En nu ik hier op mijn fiets zit, met forse tegenwind, besef ik weer hoe typisch Nederlands dit is.

Mijn eerste diplomatieke post was exotisch Saigon, ofwel: Ho Chi Minh City, dat aanzienlijk mínder exotisch klinkt. Dáár waar geen fiets te bekennen is maar het wémelt van krakkemikkige brommertjes. Miljoenen Vietnamezen in dikke rijen bezetten de rijbaan. Spitsuur op élke seconde van de dag en verkeersregels zijn er nagenoeg niet. Iedereen rijdt, kijkt recht voor zich uit en geeft gas.

Na een jaar of wat wilde ik dat ook. Rijden tussen die duizenden Vietnamezen. Dus schafte ik een oude lichtblauwe Vespa scooter – uit 1962 – aan. Audrey Hepburn zou jaloers zijn geweest. Als een kind zo blij was ik, alleen moest ik eerst nog een kleine hobbel nemen. Die van een brommerexamen.

Op de bewuste zondag, de enige dag in de week waarbij de zogenaamde examens werden afgenomen, meldde ik mij al vroeg bij het kleine en stoffige parkeerterrein. Mr. Thong, de chauffeur in dienst bij het Nederlandse Consulaat, vergezelde me aangezien ik de toontaal in het geheel niet onder de knie had. Het parcours bestond uit wat vreemde obstakels her en der neergezet. Wat ik niet wist, was dat dit bij uitstek een soort zondags familie-uitje was. Langs het circusachtige ‘parcours’ zaten honderden Vietnamezen en hun kinderen met meegebrachte etenswaar. En ze smulden niet alléén van hun lunch. Want het bleek dat niet álle examinanten hun, enigszins verroeste brommer onder de knie hadden. Enige, gelukkig onschuldige, valpartijen waren niet van de lucht.

Toen ik aan de beurt was en Mr. Thong, de goeierd, voor mij uit rende om mij de juiste richting van het parcours aan te geven, bleek ik een bezienswaardigheid. Ik was de enige lange blonde en nog wel op een Italiaanse Vespa met wapperende shawl om mijn nek. Kortom, het was weer eens wat ánders. Gelukkig had ik wat pakjes sigaretten meegenomen voor de streng kijkende gecommitteerden en na wat heen en weer gepraat, bleek ik geslaagd. Mijn Vietnamese rijbewijs bewaar ik als een prachtig souvenir. Eén van de goede herinneringen aan mooi Saigon.

Door dit gemijmer fiets ik bijna tegen iemand op. ‘Hé, Odilia, jij hier?’ Ik moet tweemaal kijken. Was dit écht de playboy van weleer die menig kroeg onveilig maakte? Die vele meisjesharten voorgoed had gebroken? Deze slecht ouder geworden man? Met een ongezonde kleur van teveel en te vaak alcohol en te weinig beweging? Ik kan mijn verbazing nog nét verbergen en we maken een oppervlakkig praatje.

Als ‘expat’ terug in eigen land, het is éven wennen.

Print Friendly, PDF & Email