Sinds mijn oudste zoon een 19de eeuwse hofjeswoning in de Schilderswijk heeft betrokken, kom ik vaak in deze landelijk bekende arbeiderswijk. Zelf groeide ik op in de aangrenzende Stationsbuurt, dus Hoefkade en Koningstraat zijn de winkelstraten van mijn jeugd. Drukke straten met bakkers, slagers, melkboeren, vishandels, poeliers, kappers, kledingzaken, handelaren in verlichting, hout, ijzerwaren, fietsen, schoenen, oliehaarden, verf, behang, speelgoed, band en garen, snoepgoed, Italiaans ijs, sigaretten en sigaren, radio- en tv-apparatuur. Het kon niet op. Er was daarnaast een keur aan scholen en kerken voor alle gezindtes en vooral heel veel kroegen.

Ik roep beelden op uit mijn jeugd. Van mijn dagelijkse wandeling naar de Jan Lighthartschool in de Tullinghstraat – direct naast het Oranjeplein met zijn statige herenhuizen -, waar de beroemde pedagoog nog zelf les had gegeven en waar koningin Wilhelmina bij hem op werkbezoek was geweest. Ik herinner me mijn wekelijkse gang naar de bibliotheek van de hervormde Zuiderkerk op de hoek van de Falckstraat, zoals ik ook boeken leende bij de bibliotheek van de katholieke St. Jozefkerk op de Hoefkade tegenover de Krayenhoffstraat. Ik denk terug aan de uitbundige etalage van het heilige-beelden-winkeltje er vlak naast en banketbakkerij Glimmerveen, die meer dan twaalf taartjes meegaf in een houten statiegelddoos met schuifdeksel en ronde metalen ventilatieroostertjes. Ik druk in gedachten mijn neus weer plat tegen de ruit van fietsenwinkel Koos Beck.
Ik zie café en slijterij Swikker voor me, geëxploiteerd door de ouders van mijn onlangs overleden mulo-vriend Adje op de hoek van de Falckstraat. Ik proef in gedachten weer de puddingbroodjes van Wanninkhof en ik herinner me de getatoeëerde nummers om de zomerse blote armen van de joodse man en vrouw met hun manufacturenwinkel op de hoek van de Koningstraat; schaarse overlevenden van het concentratiekamp.

Namen uit het verleden doemen op: De Gruyter, Vroom en de broodwinkels van Hus. Om de hoek in de Jacob Catsstraat stond de fabriek van Hus; daar hing ’s morgens die heerlijks geur van gebakken brood. Maar wij aten thuis geen fabrieksbrood. Bij ons kwam de warme bakker Broerse uit de Koningstraat met zijn bakfiets aan de deur.

Ik zwelg in gevoelens van weemoed als ik in de beeldbank van het Gemeentearchief de foto’s van de buurt tussen 1950 en 1980 bekijk. Wat een heerlijke winkelstraten. Wat een sfeer, wat een verscheidenheid, wat een levendigheid. Het winkelbestand bestond nog merendeels uit kleine zelfstandigen: Van Veen, Biezeman, Paalvast, Ridderhof, Schie, Vieveen, Kuijlers, Ansink, Abbink, Stuiver, De Kroes en hoe ze allemaal heette; hard werkende mensen die achter of boven hun zaak woonden.

De bebouwing in de Schilderswijk was in min jeugd nog geen honderd jaar oud, dateerde merendeels van rond 1880, maar al begin jaren zestig werd over sanering gesproken. Dat kwam vooral door de erbarmelijke staat van de hofjes die de 19de-eeuwse speculanten op de binnenterreinen hadden gerealiseerd. Piepkleine, vochtige huisjes zonder eigen WC, zonder stromend water. De leefomstandigheden voor de gezinnen waren erbarmelijk en het ene hofje na het andere ging al in de jaren zestig tegen de grond. Ook de staat van de normale woningen hield niet over, maar kwalitatief en qua decoratie deden ze niet onder voor de bebouwing van hele stukken Archipelbuurt. Waar echter de Archipel in de jaren zeventig uitgroeide tot de duurste yuppenwijk van het land, werd de Schilderswijk meer en meer een verwaarloosde achterstandsbuurt en een goedkope migrantenwijk.

Het was de tijd van Joop den Uyl, dat er nog volop geloof was in de maakbaarheid van de samenleving en met name PvdA-wethouders oprecht meenden dat de maatschappij zou verbeteren als mensen in een goede en betaalbare woning zouden leven. Het grootste deel van de straten rond de Koningstraat en Hoefkade, ja zelfs een flink stuk monumentaal Oranjeplein, werd in rap tempo gesloopt en maakte plaats voor sociale nieuwbouw. Met de beste bedoelingen verrezen hier de lelijkst denkbare flats. Fantasieloze betonnen systeembouw met een bakstenen omhulsel om het nog wat te doen lijken. De vernieuwingsdrift viel nauwelijks te beteugelen. Met de grootste moeite wisten betrokken buurtbewoners/actievoerders te bewerkstelligen dat monumentale hofjes als het Rode Dorp, Het Fort, de Delpratwoningen en Van Ostadewoningen behouden bleven en werden gerenoveerd. Het zijn nu sfeervolle oases temidden van de deplorabele jaren zeventig-misbaksels. Alsof je in een soort tijdmachine de wereld van Anton Pieck binnenwandelt.

De Turkse en Marokkaanse bakkers, slagers, vishandels en groenteboeren op de Hoefkade doen niet onder voor de winkels uit mijn jeugd. Elk met hun eigen sfeer, hun eigen geur. Net als toen gaat het nu om hardwerkende kleine zelfstandigen. Ik koop er smaakvolle tomaten, prachtig lamsvlees, verse kip en vis voor een fractie van het bedrag dat ik in de Van Hoytemastraat neertel. Wat zou het winkelen hier een feest zijn als de buurt sfeervoller was geweest.

De fantasieloze architectuur van de stadsvernieuwing, kan niet tippen aan die uitstraling van weleer. Hier en daar zie je in de Schilderswijk nog een schaars overblijfsel uit de 19de eeuw, compleet met ornamenten en decoratie uit de vroege Jugendstil, en dan realiseer je je hoe heerlijk deze volksbuurt nog steeds had kunnen zijn wanneer die ontelbare miljoenen destijds in restauratie en renovatie waren gestoken in plaats van nieuwbouw. De onbetaalbare Archipel en de steeds leuker en duurder wordende Regentessebuurt laten zien wat we hier rond Hoefkade en Koningstraat hebben verspeeld. Wat in de Schilderswijk rest, zijn die paar uit de klauwen van stadsvernieuwers gespaarde hofjes: ooit toonbeeld van armoede, nu fel begeerd.

 
Print Friendly, PDF & Email