Dagblad070 | Beter om maar even niet te kuchen

Beter om maar even niet te kuchen

mainImage

Mijn broer rookt. Ook als hij in zijn auto rijdt. Doorgaans heb ik weinig hinder van deze vieze gewoonte, want hij woont aan de andere kant van de wereld. Maar om het jaar bezoek ik hem op het Bounty-eiland Cebu in de Filipijnen. Dus toen hij me daar een dikke maand geleden van het vliegveld afhaalde, wist ik niet hoe snel ik mijn portierraam open moest draaien. Als geste aan mij deed hij hetzelfde en liet zijn stinkstok buitenboord bungelen.

Dat is dus waar het mis ging. Op de tocht. Ik had het kunnen weten, want al sinds mijn 15de ben ik vaste klant bij keel-, neus- en oorspecialisten. Reeds eind jaren zestig genoot ik mijn eerste kaakholte-spoelingen en alle antibiotica die sindsdien zijn uitgevonden heb ik al eens mogen uitproberen, want voor een longontsteking meer of minder draai ik mijn neus niet om. 

Daags na aankomst op Cebu was het dus mis. Niezen, snuiven, keelpijn, snotneus en hoesten. Als puber moest ik dan gorgelen met het intens gore ontsmettingsmiddel Superol. Maar nu schafte ik mij op doktersvoorschrift voor 40 euro een antibioticum-kuur en wat fluimicil aan. Elke ochtend hielden mijn broer en ik een wedstrijd wie het angstaanjagendst kon blaffen. Hij met zijn rokershoestje of ik met mijn op-de-tocht-verkoudheid.

In normale tijden zouden wij hooguit als een meelijwekkend stel mannen op leeftijd zijn bekeken, maar sinds de wereld in de ban is van Corona ogen wij als een potentieel gevaar. Wie dezer dagen meer dan één keer kucht, maakt zich meteen verdacht. En in een land waar de president nog gekker is dan Donald Trump en Boris Johnson bij elkaar, loop je dan een flink risico. Ik heb daar dus in twee weken meer Strepsils en hoestbonbons geslikt dan thuis in een paar jaar.

Gelukkig heb ik de Filipijnen begin maart al verruild voor Indonesië, want bij mijn broer is inmiddels al het vlieg- en bootverkeer stilgelegd. Op de luchthaven van Bali-Denpasar werd ik verwelkomd met een koortsthermometer. Ook toen ik later binnenlandse vluchten maakte naar Yogyakarta, Borneo en Soerabaja hoorde de temperatuur-controle tot de vaste rituelen bij de incheck. Op treinstations is het niet anders. Zelfs bij de Borobudur (inmiddels gesloten), warenhuizen en sommige hotelrecepties namen ze je temperatuur voor je binnen mocht.

Ik kuch nog steeds met enige regelmaat. Voor iemand met ruim 50 jaar KNO-ervaring is dat niet bijzonder. Ik voel me prima, kan gewoon adem halen, geniet een gezonde eetlust en heb verder nergens last van. Maar leg dat maar eens uit aan de Corona-politie. Elke keer dat iemand weer een thermometer op mijn voorhoofd richt, voel ik me als een verzetsheld uit de Tweede Wereldoorlog die met een vuurwapen op zak tegen een controle van de Sicherheits Dienst aanloopt. De zweetdruppels vormen zich dan spontaan op mijn voorhoofd en dat maakt het er zeker niet beter op.

Er is trouwens meer dat me bedreigt. In het vochtig-broeierige Balinese klimaat gieren overal de airco’s op volle toeren. In de taxi, in elke winkel, in elk restaurant en bij de receptie van ons resort. Aangezien ik tussentijds zweet als een otter, wordt mijn natte lijf voortdurend blootgesteld aan de meest bizarre themperatuurschommelingen. Zie daar maar eens ongeschonden bij te blijven.

Maar als alles goed gaat zit ik binnenkort op een vlucht naar Amsterdam. Voordat ik naar de luchthaven ga, prop ik mezelf preventief vol met paracetamol. Mijn broekzakken vul ik met Strepsils in alle verkrijgbare smaken en in mijn handbagage zitten vijf zakken Indonesische gembersnoepjes van Ting Ting Jahe, die ik alles behalve lekker vind, maar die elke opkomende kuch in de kiem smoren. Geen medepassagier mag twijfels bij mij krijgen. Ik wil geen enkele aandacht trekken. Als ik zonder in quarantaine te moeten thuis kom, is het dankzij Ting Ting Jahe.