Dagblad070 | De migratiemiddenweg: minder mensen écht helpen

De migratiemiddenweg: minder mensen écht helpen

mainImage

Meer of minder vluchtelingen opvangen?

Het is één van de grote politieke tegenstellingen van deze tijd, en het voorbeeld bij uitstek van het morele absolutisme dat veel hedendaagse debatten domineert. Standpunten worden zelden bepaald door een nuchtere analyse van de realiteit en de afweging van voor- en nadelen, maar zijn veelal een reflectie van tot welke ‘morele stam’ je behoort.

Wereldburgers die geven om mensen willen de grenzen zo veel mogelijk open, Nederlanders die geven om hun land willen de grenzen zo veel mogelijk dicht. Het is een kwestie van identiteit. De feiten zijn ondergeschikt, pragmatisme is verdacht, en de ander zit per definitie fout. Dat maakt de vorming van consensus over nieuw beleid steeds moeilijker, en dat is uitermate problematisch in een kwestie waarin de status quo onhoudbaar is. Voortzetting van het huidige asielbeleid zal namelijk tot heel veel vermijdbaar menselijk leed leiden, en zal tot steeds verdere polarisatie en sociale ontwrichting leiden. Dit is een oprechte poging om de zaak eens met begrip voor beide perspectieven te beschouwen en een nieuwe consensus te verkennen, met als uitgangspunt dat we allemaal op onze eigen manier heus wel deugen. Mensen in nood willen helpen is helemaal niet zo gek, en je zorgen maken over de gevolgen daarvan voor je eigen land ook niet.

Op de vlucht

In de ene week melden zich ruim zevenhonderd mensen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in Ter Apel om asiel aan te vragen, in de andere wat minder. Gemiddeld ging het in 2019 om 2401 mensen per maand.[i] Een deel daarvan is daadwerkelijk vluchteling en krijgt een verblijfsvergunning. In 2018 betrof het ruim 79.000 mensen, in de jaren daarvoor schommelde dat aantal tussen 50.000 en 71.000.[ii] Een groot deel van hen verkrijgt na een aantal jaar de Nederlandse nationaliteit en blijft hier definitief: van de vluchtelingen die in de tweede helft van de jaren ’90 binnenkwam, geldt dit voor zeventig procent[iii].

Het totale aantal (voormalige) vluchtelingen met een verblijfsstatus beloopt de vele honderdduizenden. Een ander deel wordt niet als vluchteling erkend, krijgt geen verblijfsstatus en wordt verzocht terug te keren. In veel gevallen, volgens recente berichtgeving[iv] de helft, wordt aan dat verzoek geen gehoor gegeven en bij gebrek aan een sluitend uitzetmechanisme blijft het daar dan veelal bij. De regering faalt er nog steeds in dat de veranderen. Daarnaast bereikt een onbekend aantal migranten ons land wekelijks zonder zich überhaupt voor de procedure aan te melden. Zij verdwijnen rechtstreeks in de illegaliteit. Na vele jaren is het resultaat dat inmiddels naar schatting zo’n 300.000 mensen illegaal in Nederland verblijven. Deze aantallen gaan oplopen. Onvermijdelijk.

Aankomen

Op zichzelf zeggen deze cijfers echter nog niet veel, behalve dat je kunt vaststellen dat het om forse aantallen mensen gaat, maar dat van een “tsunami” of andere overweldigingsmetaforen geen sprake is geweest. Het zijn veel mensen, maar op de hand gewogen zijn het aantallen die een van de rijkste landen ter wereld best zou moeten kunnen “opvangen”. En dat is strikt genomen ook zo. Althans: als je zo weinig eisen stelt aan dat “opvangen” als we hebben gedaan — en nog steeds doen. Jarenlang behelsde dat namelijk niet veel meer dan voorzien in een huisje en gezondheidszorg voor het gezin, een uitkering voor de ouders, en onderwijs voor het kind. Pas na invoering van de Wet Inburgering uit 2007 werden mensen ook in enige mate sociaal-cultureel en maatschappelijk wegwijs gemaakt in ons land. In 2013 werd die “inburgering” dankzij herziene wetgeving nog iets verder verbeterd en in 2021 zal dat nog eens gebeuren.

Het is en blijft echter een bijzonder schrale opvatting van opvangen, met flinke individuele en maatschappelijke gevolgen. We stellen deze mensen in staat om hier te leven, maar maken ze nauwelijks onderdeel van onze samenleving en slagen er evenmin in om ze een goede kans te geven op het soort leven dat we voor onszelf wensen. De kwaliteit van hun leven ligt in veruit de meeste gevallen zelfs rond de absolute ondergrens van wat we in Nederland acceptabel vinden. Een bijstandsuitkering, veelal een karig huisje in een armoedige wijk met weinig sociale cohesie[v], een vaak beperkt en vrijwel altijd eenzijdig sociaal leven, weinig kans op arbeidsvreugde en professionele ontwikkeling, laat staan een carrière. Die 300.000 illegalen of ongedocumenteerden hebben zelfs dìt niet. Het is een perspectiefloos bestaan aan de rand van een samenleving, die in veel opzichten wezensvreemd voor ze is. Natuurlijk zijn er die dit weten te ontstijgen, maar in rond de 70 procent[vi] van de statushouders is de bijstandsafhankelijkheid, met alle bijkomende beperkingen, blijvend. Illegalen of ongedocumenteerden hebben geen bijstandsuitkering en moeten in hun onderhoud voorzien door zwart werk te verrichten in erbarmelijke omstandigheden of in het criminele circuit. Dat is een alarmerend slecht en gewoonweg onacceptabel resultaat.

Nee, zo lukt het niet

De vraag is: waar ligt dit aan? Studies naar de integratie van Syrische[vii] en Eritrese[viii] vluchtelingen leiden tot een pijnlijk duidelijk antwoord: wij Nederlanders onderschatten volkomen, omdat we zelf nu eenmaal niet beter weten, hoe ongelofelijk complex, veeleisend en ook hard het leven in ons land is. Wie vanuit een warm land met een veelal laagontwikkelde samenleving in het koude, natte, moderne en individualistische Nederland terechtkomt, heeft een sociaal-culturele Marianentrog te overbruggen. Álles is anders. Het is een opgave van epische proporties, waarmee mensen zich geconfronteerd zien die door de ellende die tot de vlucht leidde en de ellende van de vlucht zelf, ook nog eens bepaald niet in hun beste doen zijn. De hulp die wij ze daarbij bieden is een inburgeringscursus en taallessen, waarvoor ze een prestatiebeurs krijgen en die ze zelf moeten inkopen, en ze krijgen bij veelvoorkomende praktische zaken wat ondersteuning van de geweldige vrijwilligers van Vluchtelingenwerk. Daarnaast is er een paar keer per jaar een gesprekje met een ambtenaar van de gemeentelijke sociale dienst. Nee, zo lukt het niet.

Dat wordt erkend door het kabinet en de gemeenten die het mislukken van de integratie en de gevolgen daarvan van dichtbij zien, zoals deze week mijn Rotterdamse VVD-collega wethouder Bert Wijbenga. Daarom is er een nieuw inburgeringsstelsel in de maak, waarmee nieuwkomers een beetje meer worden ontzorgd: ze hoeven niet meer met een prestatiebeurs zelf op zoek naar een taalcursus en krijgen iets meer “intensieve begeleiding”. Zal dat werken? Een bijzonder project in Rotterdam doet vermoeden van niet. Stichting Nieuw Thuis Rotterdam, dat dankzij de generositeit van een Rotterdamse filantroop veel intensievere begeleiding en ondersteuning biedt dan met publiek geld op grote schaal mogelijk is, bereikt vooralsnog geen beter resultaat dan zelfs het huidige inburgeringsstelsel. De mensen vinden in veruit de meeste gevallen geen aansluiting bij de rest van de maatschappij, krijgen te maken met persoonlijke en relationele problemen als gevolg van de cultuurschok, blijven hardnekkig bijstandsafhankelijk, en zijn slecht in staat om hun kinderen te begeleiden bij het opbouwen van hun eigen leven. Het is problematiek die generaties lang na-ijlt, weten we dankzij de ervaringen van de voormalige gastarbeiders en hun families. Dit is ondanks dat alle deelnemers aan het project zorgvuldig geselecteerde, “kansrijk” geachte Syrische gezinnen zijn. De problematiek met Afrikaanse vluchtelingen is vele malen groter, zoals ook blijkt uit het eerder aangehaalde SCP-onderzoek naar Eritreeërs. Het nieuwe inburgeringsstelsel is allicht een stapje vooruit en komt onmiskenbaar met de beste bedoelingen tot stand, maar ook dat gaat inburgeraars niet op grote schaal écht integreren. Vanuit dat perspectief is het in feite dead on arrival.

Samengevat is de realiteit voor vluchtelingen die in Nederland aankomen, binnen de huidige én binnen de voorziene praktijk, schrijnend. De kwaliteit van hun leven is in veruit de meeste gevallen rond de absolute ondergrens van wat we voor onszelf acceptabel vinden, en in het geval van de honderdduizenden illegalen of ongedocumenteerden daar zelfs ruimschoots onder. Het heet dat we mensen helpen, maar in werkelijkheid parkeren we ze in een almaar groeiende onderklasse. Als er niet écht iets verandert, gaan we daar gewoon mee door.

Ontvangen

Aan de ontvangende kant, de Nederlandse samenleving, zijn de gevolgen van de huidige praktijk evenmin acceptabel. Daarbij passen een aantal woorden vooraf. Lang zijn discussies over ons asielbeleid gevoerd in de context van een land dat zich, zonder dat het zich dit goed realiseerde, in een tweede gouden eeuw bevond. Naast ongekende vrijheid en een voorlopersrol op het vlak van sociaal-culturele ontwikkeling, die we nog steeds hebben, genoten we ook van een aanhoudende en brede welvaartsstijging die zijn weerga in de menselijke geschiedenis niet kent. Waar Nederland tot aan de Tweede Wereldoorlog lang een vrij middelmatig landje was, dat bij vrijwel alle grote economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de Westerse wereld een beetje achteraan hobbelde, werden we in de periode na dien vrij snel een ware economische powerhouse. Er zijn inmiddels bijna geen “lijstjes” meer waar we niet minstens in de top-vijf staan. In de loop van de decennia waarin zich die ontwikkeling voltrok is een gevoel van vanzelfsprekend staan. Van onvermijdelijkheid en van onaantastbaarheid bijna. De plek bovenin al die lijstjes is niet alleen terecht, maar haast onze lotsbestemming. We kunnen het ons niet anders voorstellen. Hoewel we allemaal zèlf best meer geld in onze portemonnee hadden willen hebben, hadden we het gevoel dat onze collectieve rijkdom letterlijk niet op kon. In een land dat er zó voor staat, en dat ook nog eens de knagende schuldlast van kolonialisme en het trauma van de Tweede Wereldoorlog draagt, is het begrijpelijk dat de overtuiging ontstaat dat we de morele plicht hebben om zoveel mogelijk mensen van onze rijkdom te laten meeprofiteren. Wij zijn bijna onbegrensd bevoorrecht, en dat hebben we ten koste van anderen bereikt. Vanuit die grondhouding wordt over het asielbeleid nog steeds gedacht, is mijn indruk als ik mijn linkse politieke vrienden erover spreek. Dus als zich dan ruim zevenhonderd mensen per week in Ter Apel melden, dan is dat iets dat we maar gewoon moeten doen. Dit tijdperk nadert echter z’n eind.

In 2050: de 32e economie

Allereerst neemt onze relatieve rijkdom ten opzichte van de rest van de wereld snel af. Met een bruto binnenlands product van ruim 900 miljard euro per jaar zijn we met ons 17 miljoenen op dit moment de zeventiende economie ter wereld. We behoren tot de meest innovatieve, meest dynamische en meest productieve economieën. Voor een land dat het vrijwel zonder natuurlijke rijkdommen moet stellen en ook niet overdreven strategisch gelegen is, is dit is uniek. Dit gaat veranderen, en sterker nog: dat is al aan het gebeuren. Zeker, er zijn nog steeds weinig landen waar zo snel zoveel mensen de nieuwste iPhone hebben, maar de wezenlijke technologische en economische vernieuwing vindt nu al steeds vaker in Azië plaats. Volgens een breed opgezette doorrekening van PwC uit 2017[ix], zal Nederland in 2050 nog maar de 32e economie ter wereld zijn. Onze voormalige kolonie Indonesië is tegen die tijd de vierde economie ter wereld en we zullen ook ruimschoots zijn voorbijgestreefd door landen als Nigeria, Bangladesh, de Filipijnen, Vietnam, en Maleisië. In de G8, de acht grootste economieën ter wereld, zit geen enkel Europees land meer.

Je kunt denken: wat maakt ons onze plek op zo’n lijstje nou uit? Op zichzelf niet veel natuurlijk. Maar de economische rangorde maakt wel degelijk uit, omdat het een indicator is van invloed. Grotere economieën hebben een groter belang en meer machtsmiddelen om hun stempel te drukken op het verkeer tussen landen, en trekken ook meer investeringen en bedrijvigheid aan. Hoe lager wij in die rangorde staan, hoe minder relevant we worden en hoe meer wij naar andermans pijpen zullen moeten dansen. Zeker, als de huidige ontwikkeling van het stap-voor-stap ontmantelen van het internationaal recht ten gunste van power play doorzet. Dat heeft effecten in onze eigen samenleving: we zullen meer en meer het gevoel krijgen dat we afhankelijk zijn van de grillen van andere landen. En dat zullen steeds vaker landen zijn die niet op ons lijken en weinig boodschap hebben aan wat ze daar in het kleine Nederland te mopperen en te vingerwijzen hebben. Is Nederland nu al collectief verontwaardigd als Rusland en Turkije lak aan ons hebben, en als zelfs Marokko onze staatssecretaris van Migratie schoffeert: dat is nog maar het begin. Het gevoel van morele verplichting aan de rest van de wereld zal snel wegebben, nog meer dan op dit moment al is gebeurd.

De vergrijzing

Daar komt een belangrijke binnenlandse ontwikkeling bij: de vergrijzing. De babyboomgeneratie gaat langzaam maar zeker met pensioen en zal daar gemiddeld zo’n 30 tot 35 jaar in blijven. Tegelijkertijd blijven de zorgkosten spectaculair stijgen. Er kán meer, dat is fantastisch, maar het gebéurt ook allemaal, en dat is peperduur. Zeker in die laatste levensjaren zijn de kosten enorm. Bij elkaar opgeteld leidt het ertoe dat een afnemende groep werkenden de steeds toenemende kosten voor levensonderhoud en zorg van een groeiende groep gepensioneerden moet dragen. De belastingen en premies zullen toenemen, en het gevoel van dusdanige welvaart dat we wel wat kunnen missen neemt, zeker in het licht van die veranderende verhoudingen in de wereld, af.

Deze ontwikkelingen zetten zich in op een moment dat de publieke sector al ernstig overvraagd wórdt. De politie kampt nu al met dramatische tekorten, waardoor aangiftes blijven liggen en cruciaal wijkwerk onder druk staat. Er staan nu al te weinig leraren voor de klas om alle kinderen met speciale noden en achterstanden te ondersteunen en daarnaast ook nog eens voldoende aandacht te hebben voor de “gewone” leerlingen. In de zorg hebben we nu al te weinig handen aan het bed, en te weinig tijd voor een beetje aandacht. In de jeugdzorg is de werkdruk nu al onverantwoord hoog. De krijgsmacht krijgt nu al duizenden vacatures niet ingevuld. De mensen zijn er wel, maar de publieke sector slaagt er niet in om de concurrentie om menskracht van de private sector te winnen. En de collectieve lastendruk is nu al op het hoogste niveau in vele jaren. Daarnaast is de energietransitie bepaald geen kleinigheid. Het vraagt veel van mensen, zowel in geld als in persoonlijke belasting.

En dit alles komt nadat het draagvlak voor een asielbeleid zoals we dat nu hebben al decennia tanende ís. Het ís al een van de meest gepolariseerde politieke splijtzwammen in generaties. Veel Nederlanders, waarvan een groot deel in de onderste helft van de sociaal-economische piramide, vragen zich al lang met oplopende frustratie af, vanuit hun perspectief verwoord, waarom zoveel mensen hier kunnen blijven die in veel gevallen weinig bijdragen en vooral nemen — zelfs als het land van herkomst alweer veilig is. Je kunt daarvan vinden wat je ervan vindt, maar het is een feit dat die gevoelens er zijn, dat ze persistent zijn, en dat die leiden tot toenemende polarisatie en toenemend conservatisme. De blijmoedige tolerantie waar Nederland in de vorige eeuw om bekendstond ís al grotendeels verbleekt. Vrijwel alle mensen die nu op de verfoeide partijen van Wilders en Baudet stemmen, stemden ooit op sociaal-cultureel progressieve partijen als de PvdA en VVD. Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat niet alleen nieuwkomers, maar ook autochtone Nederlanders zich steeds minder in Nederland thuis voelen.[x]

Toename

Bovenal zal de migratiedruk toenemen. De mensen die nu naar Europa migreren, komen uit het Midden-Oosten en Afrika, weg van de omstandigheden ter plekke, die variëren van burgeroorlogen en onderdrukkende regimes tot erbarmelijke economische perspectieven. Die omstandigheden gaan niet beter worden. Of je nu gelooft dat de opwarming van de aarde door mensen teweeg wordt gebracht of niet, dát de aarde opwarmt kan een redelijk mens niet meer ontkennen. Dat dit consequenties heeft, evenmin. De burgeroorlog in Syrië, als onderdeel van de Arabische Lente, was het eerste grote gewelddadige conflict dat (grotendeels) aan de gevolgen van die opwarming kan worden toegeschreven. Door opeenvolgende warme jaren mislukte oogst na oogst en steeg de prijs van brood, wat de al langer sluimerende onvrede tot een gewelddadige explosie bracht. Met een massieve vluchtelingenstroom als gevolg.

Dergelijke conflicten zullen vaker gaan ontstaan. En zelfs daar waar het niet tot zulke gruwelijke geweldsuitbarstingen komt, zullen stijgende temperaturen, afnemende watervoorraden en een navenant gebrek aan perspectief mensen op de vlucht blijven brengen. De factoren die nu al zoveel mensen tot migratie aanzetten, zullen verergeren. Zelfs als de niet als ondenkbaar te diskwalificeren totale “social collapse” die de Amerikaanse wetenschapper Jem Bendell[xi] voorziet niet in die mate en in dat tempo werkelijkheid wordt, kijken we aan tegen decennia van sociale catastrophes in de regio’s waar extreem weer en opwarming zich nu al doen gelden.

De VN spreken nu al van migratiestromen van vele tientallen miljoenen — een veelvoud van de vier miljoen Syrische vluchtelingen die hun land de afgelopen jaren verlieten. En dus zal het bij ongewijzigd beleid op de Middellandse Zee en bij Ter Apel steeds drukker worden met mensen die vrijwel kansloos zijn om succesvol in onze samenleving te integreren, voor wie we niks anders kunnen betekenen dan ze te parkeren in onze onderklasse, waarvoor de voorzieningen als gevolg van de geschetste ontwikkelingen eerder soberder dan ruimer zullen worden. We zullen stelselmatig een nieuwe onderklasse naar binnen halen, terwijl er nog zoveel mensen op verheffing hopen die hier al zijn. Het is een aanzwellende sociale catastrophe, wrang genoeg ontstaan uit overmoedige medemenselijkheid.

Het roer om

Al deze ontwikkelingen komen bij elkaar. Bij ongewijzigd beleid groeit die onderklasse, neemt het absorptievermogen van de samenleving en van de publieke voorzieningen steeds verder af, en neemt de weerstand ertegen, met alle maatschappelijke en politieke gevolgen van dien, tot steeds minder te behappen proporties toe. Simpel gezegd: wie Wilders of Baudet daadwerkelijk nog een keer als premier wil zien, moet vooral het beleid laten zoals het is. We helpen er niemand écht mee, en we ondergraven onszelf. Asiel- en migratiebeleid kan dus niet langer een kwestie zijn waarin korte termijn emoties domineren, zelfs als die voortkomen uit of worden uitgelegd als menselijkheid of vaderlandsliefde. Natuurlijk speelt de vraag altijd wat voor land wij willen zijn, en daarin hebben emoties en idealen een centrale rol, maar we moeten daarenboven helder en scherp zijn over de consequenties, en van dáár uit redeneren. Het roer moet om.

Om te beginnen moeten we onder ogen zien dat onze invulling van “opvangen” volstrekt ontoereikend en zowel individueel als maatschappelijk schadelijk is. Vluchtelingen, die in veruit de meeste gevallen permanente migranten worden, daadwerkelijk opnemen in onze samenleving op een manier dat ze állemaal vanaf de eerste generatie per saldo aan de maatschappij kunnen bijdragen, vergt simpelweg veel meer dan een taalcursus, een huis, een uitkering, wat praktische hulp en een participatieverklaring. Zij moeten worden opgenomen in het sociale weefsel van de samenleving en dat kunnen we niet aan de overheid uitbesteden. Het moet in de samenleving gebeuren. Dat is geen bezweringsformule, dat is een feit.

Gestructureerde aanpak

Op kleine schaal zijn er heel mooie voorbeelden van hoe dat kan werken: mentoringprogramma’s voor scholieren en studenten. Organisaties als de Stichting Giving Back bieden scholieren met een migratieachtergrond en een beperkt sociaal netwerk een mentor aan. Die mentoren helpen ze om hun weg te vinden in de samenleving, ondersteunen ze bij het maken van de goede keuzes, en stellen ook hun netwerk aan ze beschikbaar. Zulke programma’s zijn zeer succesvol, omdat ze deze kinderen vanuit de vaak kleine en geïsoleerde eigen gemeenschap, het bredere sociale weefsel van de samenleving in helpen. Ook voor statushouders is er een netwerk van ‘maatjes’, maar dat is nog onvoldoende. Er moet een gestructureerde aanpak komen om ieder individu of elk gezin een mentor of mentorgezin toe te wijzen, die intensief contact met ze onderhoudt, ze in aanvulling op de overheidsondersteuning de maatschappij helpt leren kennen, ze aan een netwerk helpt, en ze op andere manieren met raad en daad bij staat. Het is allerminst een voldragen voorstel, maar zoiets als dit zou het moeten zijn. Dan ontstaat verbinding in plaats van vervreemding, en dan wordt de natuurlijke behulp- en zorgzaamheid van mensen aangeboord, in plaats van hun evenzo natuurlijke neiging tot afwijzing van de vreemdeling.

Daarnaast moet voor elke vluchteling die tot werken in staat is een duaal taal-werktraject beschikbaar komen. De taal leren, werken en Nederlanders leren kennen is veel effectiever als dat tegelijkertijd en op één plek gebeurt, dan als het in plaats en tijd gescheiden trajecten zijn. Dat heeft een succesvolle proef in Rotterdam aangetoond. Mensen hier ontvangen wordt dan ze de hand reiken en ze omarmen met wederzijds voordeel, in plaats van ze buiten het zicht in de onderklasse te parkeren en denken dat we goed bezig zijn.

Om dit te laten slagen zullen we echter wel selectiever moeten zijn in wie we hier een verblijfsstatus geven. Dat betekent dat we überhaupt moeten selecteren — iets wat we nu niet doen. Wie hierheen komt laten we nu volledig aan hén over. De kans dat iemand succesvol integreert, een leven boven die onderklasse kan opbouwen en per saldo kan bijdragen aan ons land, speelt geen enkele rol. Zelfs niet bij het uiteindelijk toekennen van een permanente verblijfsvergunning, wat bijna een automatisme is geworden. De heel menselijke vraag of een Nederlandse mentor en migrant-mentee voldoende sociaal-cultureel raakvlak hebben om een betekenisvolle relatie op te bouwen is daarvoor een goede lakmoesproef. Er moet voldoende sociaal-culturele nabijheid tot de Nederlandse maatschappij zijn om hier echt te kunnen integreren, om echt onderdeel te kunnen worden van het sociale weefsel van ons land. Die vraag moet centraal staan als we mensen uitnodigen om naar Nederland te komen.

Smak geld mee

Ook legt dit, als we dus mensen niet in een uitdijende onderklasse willen parkeren maar ze daadwerkelijk een volwaardig lid van onze samenleving willen laten worden, een beperking op de aantallen mensen die we hier kunnen ontvangen. In eerste instantie zou dat aantal misschien zelfs nul moeten zijn, omdat het onze eerste prioriteit hoort te zijn om die vele duizenden migranten die al in onze onderklasse geparkeerd zíjn de hand te reiken, en ze te helpen hun bestaan hier te verbeteren. Als we toch aan iemand een morele verplichting hebben, dan is het wel aan hen. Zij zijn er nu het slachtoffer van dat we jarenlang meer op ons bordje hebben genomen dan we eigenlijk aankonden. Zij moeten daarbij ook actief de keus krijgen om terug te gaan naar het land van herkomst of een ander land in die regio. De vlucht is meestal een kwestie van ergens bewust van weg gaan, en niet ergens bewust naartoe gaan. Het is absoluut niet ondenkbaar dat er veel voormalige vluchtelingen in Nederland zijn, en overigens ook reguliere migranten, die hier gewoon echt niet kunnen aarden — om wat voor reden dan ook. Terug migreren, zonder spaargeld, zonder hulp, kan dan voelen als een te grote sprong in het diepe. Laten we ze daar dan bij helpen, door ze een opleiding aan te bieden die daar nuttig is, en ze een smak geld mee te geven om daar een goede (her)start te maken. De wettelijke basis daarvoor is er al, met de Remigratiewet uit 2014: een product van VVD en PvdA. Het is tijd om die wet te gebruiken. Het helpt hen, en het schept hier de ruimte voor iemand anders die zich hier wél op z’n plek zal voelen en kan bijdragen aan de samenleving. En zo helpt het onszelf ook.

Een absolute vereiste om dit allemaal te kunnen laten werken is dat we volledige controle krijgen op migratie. Zolang we dat niet hebben, is elke poging om migranten radicaal betere kansen te geven tevergeefs. Ons steeds verder gelimiteerde absorptievermogen zal blijven worden uitgeput door mensen die hier nooit het soort leven zullen kunnen hebben dat we voor onszèlf wensen, en die nooit volwaardig zullen kunnen bijdragen aan ons land, in een tijd waarin we dat steeds meer van iedereen nodig hebben. Er zal dan ook simpelweg steeds minder draagvlak voor zijn om überhaupt nog mensen te ontvangen. Controle krijgen en selectief toelaten enerzijds en een nieuwe, veel positievere houding ten aanzien van opvang anderzijds gaan hand in hand, en een blijvend gebrek aan controle en toenemende xenofobie en polarisatie evenzeer.

Verdragen moderniseren of opzeggen

De grote voorkeur heeft het als we met de gehele Europese Unie en binnen de relevante internationale verdragen tot een sluitend migratiecontrolemechanisme kunnen komen. De EU moet rondom de buitengrenzen en in de regio van brandhaarden opvangvoorzieningen totstand brengen om te helpen vluchtelingen in veiligheid te brengen, in samenwerking met Afrikaanse en Midden-Oosterse partners. Van daar uit kunnen mensen gericht worden uitgenodigd om naar Nederland te komen en hier, met échte hulp, een mooi bestaan op te bouwen. Wie onuitgenodigd komt, moet altijd worden teruggestuurd en dat systeem moet sluitend zijn, eveneens in EU-verband. Daarvoor moeten met de landen van herkomst overeenkomsten worden gesloten, indien nodig met behulp van financiële en geopolitieke machtsmiddelen. Als verdragen dit in de weg staan, dan moeten ze worden gemoderniseerd of in het uiterste geval worden opgezegd. Alleen dán krijgen we er grip op, en alleen dan zullen we in staat zijn om mensen écht te helpen.

Minstens zo belangrijk is dat we actief samenwerken met de landen rondom Europa om hen te helpen zich te ontwikkelen. Daarbij moeten we ook naar onszelf kijken: de absurde subsidies op Europese landbouw, waardoor Afrikaanse agrariërs uit de markt worden geprijsd, moeten ook om deze reden van tafel. Ten slotte, en meest cruciaal, moeten we óók om reden van beheersing van migratie absoluut de klimaatverandering bestrijden en landen die er het meest door worden getroffen helpen met klimaatadaptatie.

Conclusie

Uitwisselingen van ideeën over asiel- en migratiebeleid zijn altijd beladen, en monden maar al te vaak uit in felle botsingen. De verwijten liggen altijd op de loer, en zijn zelden van de lucht. Ben je een goed mens en ben je bereid onze welvaart met anderen te delen, of ben je een slecht mens en wijs je mensen in benarde situaties bot de deur. Ben je een goed mens en geef je om het behoud van onze kwetsbare verworvenheden, of ben je een slecht mens die een hekel heeft aan zijn eigen land en gemeenschap. Wie er helder naar kijkt, ziet dat we met de huidige praktijk beide overtuigingen van wat goed is niet waarmaken. We delen onze welvaart niet met andere mensen, omdat we ze in veruit de meeste gevallen parkeren in een onderklasse, op de ondergrens van de kwaliteit van leven die we voor onszelf acceptabel vinden — en in veel gevallen daar zelfs onder. Onze kwetsbare verworvenheden behouden we evenmin, als we doormodderen op de huidige weg.

De positie van Nederland verandert. We zullen een welvarend land blijven, maar onze relatieve rijkdom neemt af en daarmee ons vermogen om relevante ontwikkelingen te beïnvloeden ook. Daar komt bij dat door demografische ontwikkelingen de druk op onze collectieve voorzieningen enorm wordt. Niet lang geleden kon het allemaal niet op, en over niet al te lange tijd moeten we daadwerkelijk alle dubbeltjes omdraaien. We gaan naar een toekomst waarin we meer dan ooit van ieder en elk lid van onze samenleving het beste nodig hebben. Dat betekent dat we veel selectiever moeten zijn met wie we hier ontvangen, en dat we iedereen die we hier ontvangen ook écht moeten helpen om er hier een succes van te maken. Om te beginnen met al die mensen die hier al zijn. Dat zou de nieuwe consensus over asielmigratie moeten zijn. Beide kampen zijn nu allebei níet het goede mens dat ze zouden willen zijn. Maar we kunnen het, allebei, wel worden.

Wat krijgen we dan? Een mooi land met een sterke samenleving, waar mensen onderdeel van mogen worden die dat ook kunnen — en die daarbij échte hulp krijgen.

 


[i] Immigratie- en Naturalisatiedienst, Asylum Trends: Monthly report on Asylum Applications in the Netherlands, September 2019, https://ind.nl/en/Documents/AT-September_2019_Hoofdrapport.pdf

[ii] Centraal Bureau voor Statistiek, Verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd, https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/82027NED/table?fromstatweb

[iii] Zwaan, I. de, ‘Gros van de statushouders blijft in Nederland, maar er is ook een deel dat ‘hopt’’, De Volkskrant, 10 oktober 2019

[iv] ‘Kabinet maakt eigen plannen terugsturen asielzoekers niet waar’, NOS, 13 januari 2020, https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2318508-kabinet-maakt-eigen-plannen-terugsturen-asielzoekers-niet-waar.html

[v] Jennissen, R., Engbersen, G., Bokhorst, M., Bovens, M. (2018), De nieuwe verscheidenheid. Toenemende diversiteit naar herkomst in Nederland, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

[vi] Sociaal-Economische Raad, Integratie door werk. Meer kansen op werk voor nieuwkomers, Mei 2019, https://www.ser.nl/-/media/ser/downloads/adviezen/2019/integratie-door-werk.pdf

[vii] Dagevos, J. et al. (2018), Syriërs in Nederland. Een studie over de eerste jaren van hun leven in Nederland, Sociaal en Cultureel Planbureau

[viii] Sterckx, L., Fessehazion, M. (2018), Eritrese Statushouders in Nederland. Een kwalitatief onderzoek over de vlucht en hun leven in Nederland, Sociaal en Cultureel Planbureau

[ix] PwC (2017), The Long View: How will the global economic order change by 2050?, https://www.pwc.com/gx/en/world-2050/assets/pwc-the-world-in-2050-full-report-feb-2017.pdf

[x] Sociaal en Cultureel Planbureau (2017), Kwesties voor het kiezen

[xi] Bendell, J. (2018), Deep Adaptation: A Map for Navigating Climate Tragedy, IFLAS Occasional Paper 2, www.inflas.info