Dagblad070 | In het koloniale café

In het koloniale café

mainImage

Er is een roman, zo door en door onfatsoenlijk, dat ik schrok toen ik op de laatste bladzijde was. Daar werd het pas echt beroerd. Dankzij schrijver Henri Borel leerde ik de koloniale cafés kennen, die ooit in het Haagse bestonden. In Levenshonger (1902) beschrijft hij ze zo realistisch, dat je denkt: die cafés moeten er geweest zijn.

In de Passage zat Bor, waar de oud-Indischgasten elkaar troffen. Mannen met tijdelijk verlof en een goed gevulde spaarpot. Ze spraken over Indische en Hollandse zaken en vooral over vrouwen. Er staat geen grof woord in de roman, alles is suggestie, en juist dat maakt het goor. "Heb je ze gehad?" vraagt de ene man aan de andere, wanneer er twee vrouwen passeren. Het antwoord: "Allebei." Vrouwen zijn te koop: als demi-mondaine, een "öffentliche", een scharrel of gewoon op aanvraag. In Levenshonger leef je tegen wil en dank mee met Alex Ducloux, die ziek terugkeert van Borneo. Daar heeft een doekoen hem gezegd hoe hij zijn gezondheid kan terugvinden. Ducloux is wanhopig. Dan doet een man alleen domme dingen.

Hij betrekt kamers in de Heulstraat, pikt ene Betsy op in de Spuistraat, betrekt regelmatig rendez-vous kamers op de Fluwelen Burgwal - en zo gaat het door, straatnamen vol onzedelijkheid.  De vrouwen weten: de mannen hebben verder nauwelijks iets te doen. Deze Alex evenmin. Hij "was bij alle vrouwen van de Spuistraat en de Lange Poten bekend als een van de vaste lui, 'van de vlakte', van de Indische nog wel, die het beste betaalden en niet op een tientje meer of minder zagen."

Het is een heel ander Den Haag dan dat van Couperus. Daar is alles elegant, inclusief noodlottige  familiegeheimen en freules die het leven niet aankunnen. Geen wonder dat Couperus vooraan staat in het Haags-Indische literaire geheugen. Het is prettig, om een stad te zijn met zo'n verleden. Zet daar de romans van Borel eens naast. Hij schreef er meer, van die boeken die onder je huid kruipen op een smerige manier, dus die boeken lees je vanzelf nóg een keer, om te begrijpen wat er nu werkelijk gebeurde. Borel is een kenner van onzedelijk Den Haag, dat de rillingen over je rug jaagt.

En toch, of juist daardoor, is het zo indringend. Elke keer als ik door de Passage wandel, kijk ik links en rechts en twijfel: was café Bor hier... of nee, hier was het... misschien.

www.kolonialezaken.nl