Nieuw Guinea moest het antwoord zijn op de problemen. Anno 1930 zijn die er immers volop in de economische crisis, vooral voor de Indo-Europese beroepsgroep.
Maar wat te doen, waarheen en wat dan?
Al in 1926 ziet de 'Vereeniging Emigratie Nieuw-Guinea' (V.E.N.G.) het licht, opgericht in Malang, met als voorzitter A.R. Landman. Het jaar erna kwam de nieuwe naam: 'Vereeniging kolonisatie Nieuw-Guinea', die de plannen meteen duidelijk maakte. Het woord kolonisatie had een opwindende klank, het ging om pionieren, in onbekende gronden een bestaan vanuit nul opbouwen, om voortrekkers, mensen die iets aandurfden. Dat er in Nieuw Guinea Papua's woonden, deed er nauwelijks toe.
In 1929 gaf voorzitter Landman een uitgebreide beschouwing over wat hij eerder met eigen ogen had gezien. Samengevat: Nieuw-Guinea bood kansen. Landbouwgronden konden bewerkt worden. Het was hard werken, maar het kon.
Al het jaar erna vertrokken de eerste kolonisten, leden van de vereniging die weer een andere naam had: ' Stichting Kolonisatie Nieuw-Guinea'. (S.K.N.G.)Gezinnen, losse mannen, een enkele vader en zoon, zij stapten op de boot van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij, en reisden zo naar een beter leven. Aan boord waren ook 17 Steurtjes, jongens uit het tehuis van Pa van der Steur.
Het was een kwetsbaar initiatief, zo bleek al snel.
Aanvankelijk leek er weinig aan de hand. In Batavia klonken moedige woorden op de jaarvergadering van de S. I. K. N. G. Bataviaasch nieuwsblad berichtte er uitvoerig over en citeerde voorzitter Landman:
'De Indo zal als werknemer den concurrentiestrijd tegen den Chinees en den Inlander absoluut moeten verliezen, omdat hij niet op hetzelfde levensniveau staat.
Op Java, Sumatra, enz. kan hij geen gronden krijgen, alleen Nieuw-Guinea blijft hem over.
Een eigen bevolking namelijk is er niet op dat eiland; de Papoea's zijn nomadenstammen. Daarom kan de grond van Nieuw-Guinea ook aan den Indo uitgegeven worden.
Spr. eindigde met het uitspreken van den wensch, dat de kolonisatie-gedachte onder de Indo's in heel Indië verbreid zal worden: „Indo, weg van Java voor het te laat is!"'
Weg van Java, dat klonk goed. Maar van de kolonisten waren er ook mensen terug gekeerd naar Java met verhalen die aanzienlijk minder goed klonken.
Bij Manokwari was het mis gegaan. In een nederzetting van beperkte omvang moest allereerst dusdanig hard gewerkt worden, dat zelfs de Steurtjes het te bar vonden. En ten tweede was de onderlinge samenwerking ver te zoeken geweest. Alom klaagden de teruggekeerde kolonisten over
L. F. R. Denninger, een van de eerste kolonisten bij Manokwari, ze hadden moeten werken als een koelie.
Dat was het. Werken als een koelie, als je Indo-Europeaan bent, dan kon niet.
De problemen verdwenen niet, ook al bloeide het terrein van Denninger en ook al keerden er kolonisten terug. De conflicten namen toe. In de late jaren 1930 probeerde de regering er greep op te krijgen, tevergeefs natuurlijk. Weinig voorbereiding, te hard werken, de Papua's, er waren meer problemen dan oplossingen, vooral voor de Indische werknemers.
https://www.indischeschrijfschool.nl