Dagblad070 | Rugzakdragers doen alsof die bult er niet is

Rugzakdragers doen alsof die bult er niet is

mainImage

Echt blij was ik niet met de varkensleren schooltas die mijn moeder had gekocht, daags voor ik middelbaar onderwijs zou gaan volgen. Het was zo’n klassieke cognac-kleurige tas met een scheidingswand in het midden en twee opgestikte voorvakken. Stom, vond ik dat ding. Veel liever had ik een pukkel gehad, zo’n canvas groene legertas die je voor een paar gulden in de dumpwinkels van Loe Lap kon kopen. Dat was pas stoer. Vooral als je er dan ook nog legerkistjes bij aan je voeten droeg.

Die pukkel is er nooit van gekomen en een paar jaar later werd het ineens hip om van een oud Perzisch tafelkleedje een tas te stikken. Daar pasten je schoolboeken nauwelijks in, maar het stond wel mooi bij je stinkende Afghaanse jas. Het geeft goed aan dat niet alleen voor kleding en kapsel, maar zelfs voor het type tas dat je mee naar school nam modes bestonden. Want ik herinner me ook nog de metalen mandjes die je met één handbeweging op de bagagedrager van je fiets of Mobylette kon klemmen en ergens rond 1974 liep iedereen ineens met wat toen een ‘KLM-koffertje’ werd genoemd.

Laat ik alles wat we sindsdien nog hebben gehad overslaan en me richten op de mode die nu al enkele jaren heerst: het rugzakje. Tik bij Google het woord schooltas in en je krijgt louter internetwinkels met een enorm assortiment rugzakjes. Wat haat ik die krengen! Want een rugzak is geen gewoon bagagestuk, het is een verlenging van iemands lijf. Met een rugzak verandert elk normaal menselijk lichaam in een Quasimodo, de gebochelde van de Notre Dam.

Het verschil met de echte Quasimodo’s is dat die doorgaans wel voorzichtig omspringen met hun vergroeiing. De rugzakdrager echter doet alsof die bochel niet bij hem of haar hoort, maar een autonome plek in het universum heeft. Hoe vaak ik al geen opdonder in de tram, trein of het vliegtuig van zo’n pestding heb gekregen. Ook bij de kassa in de supermarkt of in de rij voor de douane is het regelmatig raak. Omdat ik niet groot van stuk ben, heeft het bij mij soms ’t effect alsof ik een dreun voor mijn kop krijg.

Een doodenkele keer verontschuldigt de drager zich, maar meestal hebben ze het niet eens in de gaten. Pas als ik die rugzak een oplawaai terug verkoop, kijkt iemand verbaasd om. Daar moet je trouwens nog bij uitkijken, want als er een laptop in zit, kun je je vuist aardig bezeren. Mijn hoop dat de mode weer snel zou overwaaien, is inmiddels vervlogen. Net als bij die belachelijke scheuren op de knie lijkt het wel een internationale epidemie.

Najaar 2018 verscheen de schrijfster Paulien Cornelisse wekelijk op TV met haar reisprogramma ‘Tokidoki’; een serie over de Japanse samenleving. Ik ben niet echt een fan van mevrouw Cornelisse. Ik vind haar een beetje een zeurpiet, ze heeft ook een wat zeurderige stem en ze is ook niet echt een feest om naar te kijken: ze hult zich meestal in kleren waar de kringloopwinkel beleefd voor heeft bedankt. Maar gefascineerd als ik ben door Japan - ik ben er drie keer geweest - keek ik echt elke week uit naar de nieuwe aflevering van ‘Tokidoki’.

En de opmerkelijkste ontdekking die ik dankzij de Japans sprekende Paulien Cornelisse deed, is dat Japanners hun rugzakje in de metro of op andere plekken met veel mensen niet op de rug, maar op de buik dragen. Ik was zó verbijsterd toen ik dit zag, dat ik de uitzending na afloop nog even heb teruggespoeld om het fragment nog een keer te zien. Zo simpel kan het dus zijn. In plaats van als een autistische dromedaris je weg te vervolgen en je omgeving te negeren, haal je op bepaalde momenten die bult van je rug en zorg je dat niemand last van je heeft. Een kwestie van beschaving. 

Niet dat alle Japanners nu zulke lieverdjes zijn. Een groot deel van onze bevolking heeft dat eertijds in Indië aan den lijve mogen ondervinden. En zelf heb ik kunnen ervaren dat Japanners ons westerlingen als barbaren beschouwen en niet de geringste gene voelen om buitenlanders (gaijin) de toegang tot een restaurant of badhuis te weigeren. Maar als we naar zaken als wellevendheid en omgangsvormen kijken, kunnen we nog heel wat van Japanners leren.

Nu wil het toeval dat Paulien Cornelisse momenteel weer In Japan vertoeft; ik hoop voor een nieuwe reeks ‘Tokidoki’. En in de Volkskrant schreef ze onlangs over Randosero, oftewel de rugzakken die kinderen in Japan mee naar school nemen. Het Japanse woord Randosero komt van het Nederlandse woord ransel, de vierkante rugzak die vroeger tot de uitrusting van soldaten behoorde. 

Ineens hoor ik mijn moeder weer ‘Turf in je ransel, turf in je ransel’ zingen en ik vrees dat ik dit deuntje de komende dagen niet meer uit mijn hoofd krijg. Wij hebben trouwens het begrip ransel weer geleend van het Duitse ‘Ränzel’, maar waar het natuurlijk om gaat, is dat Nederlandse handelaren in de 17de eeuw kennelijk de rugzak in Japan hebben geïntroduceerd en dat ze er aldaar vier eeuwen later een stuk socialer mee omgaan dan wij hier.