Ex-minister van Asiel en Migratie Marjolein Faber zat fout toen ze de opvang van zestien vreemdelingen in Rotterdam wilde beëindigen. Dat heeft de bestuursrechter in Rotterdam vrijdag bepaald. De vreemdelingen verblijven er onder de zogenoemde bed-bad-broodregeling. Bij vier anderen die eveneens in beroep gingen, mocht Faber wel ingrijpen.
Het kabinet wilde per 1 januari 2025 de rijksbijdrage voor die regeling stoppen. Maar de opvang is niet beëindigd, omdat de Rotterdamse voorzieningenrechter eerder het stoppen van de rijksbijdrage verbood tot vier weken na de uitspraak van vrijdag.
Faber heeft volgens de rechter "onvoldoende gewaarborgd" dat de vreemdelingen niet in onmenselijke omstandigheden terecht zouden komen door de beëindiging van hun opvang. Dit had de minister "wel moeten doen". Europese wetgeving en rechtspraak schrijven voor dat de overheid ook voor vreemdelingen die onrechtmatig in Nederland verblijven, moet zorgen dat zij niet in een onmenselijke situatie terechtkomen.
Kwetsbaar
De zestien mensen zijn kwetsbaar en "onvoldoende zelfredzaam", stelt de rechter. "Omdat zij ook geen netwerk hebben, niet mogen werken en geen recht hebben op andere voorzieningen, zijn zij bovendien volledig afhankelijk van de Nederlandse overheid. Voor deze vreemdelingen heeft de minister geen aanbod gedaan voor opvang in een andere voorziening, omdat zij niet voldoen aan de toelatingsvoorwaarden."
Omdat de rechtbank deze beroepen gegrond verklaart, "zal de minister nieuwe besluiten moeten nemen waarbij rekening moet worden gehouden met het oordeel van de rechtbank." De rechtbank heeft verder bepaald dat deze vreemdelingen tot die tijd in de opvang mogen blijven.
Door: ANP