De Haagse Rekenkamer “waardeert” de inspanningen die door het college zijn gedaan om meer structuur en transparantie aan te brengen in zijn economische beleid. Maar, vervolgt de rekenkamer in een brief aan de commissie Bestuur, “de economische visie en uitvoeringsagenda voor de raad geven nog onvoldoende inzicht in de veronderstelde effectiviteit en doelmatigheid van het economisch beleid”.
De rekenkamer refereert in de brief van voorzitter Twisk ook aan een verzoek van de ambtelijke organisatie. In een eerder stadium heeft die namelijk volgens de rekenkamer het verzoek gedaan ‘om reeds op de conceptdocumenten te reageren’. “Wij konden niet op dit verzoek ingaan omdat de rekenkamer altijd een openbaar oordeel over het beleid van college en raad dient te geven en geen mede verantwoordelijkheid kan dragen voor de totstandkoming van het beleid, zoals dat door het college aan de raad wordt voorgelegd.”
Twisk geeft in zijn brief twee duidelijke punten van kritiek aan. “In de economische visie en de uitvoeringsagenda is onvoldoende onderbouwd waarom de beleidsinstrumenten bijdragen aan de economische doelen” zo stelt hij. Volgens de rekenkamer is in het beleid ‘namelijk niet opgenomen van welke veronderstelde werking de gemeente uitgaat en is ook geen informatie uit andere bronnen opgenomen die deze veronderstelde werking ondersteunen’.
Het tweede punt dat de voorzitter aanstipt is dat ‘met de economische visie en de uitvoeringsagenda onvoldoende is duidelijk gemaakt wat het ambitieniveau van de gemeente Den Haag is en wat de inzet van beleidsinstrumenten dient op te leveren voor de economie van Den Haag’. Dat betekent volgens de rekenkamer dat de raad hierdoor ‘ niet kan controleren of de gestelde doelen bereikt worden’.
Twisk eindigt zijn brief aan commissievoorzitter Wenink met de hoop ‘dat wij u meer inzicht geven in de wijze waarop het college het raadsbesluit over de aanbevelingen van de rekenkamer heeft uitgevoerd, zodat u dit kunt betrekken bij de behandeling van de Economische visie Den Haag+ 2030’.