De fractie van JA21 in de Provinciale Staten van Zuid-Holland heeft een interpellatiedebat aangevraagd over de betaalde nevenfunctie van gedeputeerde Anne Koning van Volkshuisvesting als lid van de Raad van Commissarissen van Betaalbare Koopwoningen Zaanstad (BKZ).
JA21 heeft vooral bezwaren tegen de wijze waarop de nevenfunctie is aanvaard, beoordeeld en gemeld. De beantwoording roept volgens de fractie nieuwe vragen op over de naleving van de wettelijke meldplicht, de zorgvuldigheid van de integriteitsafweging, de getroffen waarborgen en de proportionaliteit van de vergoeding.
Statenlid Luuk Wilson (foto onder) stelde eerder vragen nadat bekend werd dat gedeputeerde Koning per 1 april 2026 was toegetreden tot de Raad van Commissarissen van BKZ. Uit de beantwoording blijkt dat Provinciale Staten pas na de formele toetreding zijn geïnformeerd. De Provinciewet schrijft echter voor dat een gedeputeerde het voornemen om een nevenfunctie te aanvaarden vooraf aan Provinciale Staten moet melden.
Tekst gaat door onder foto.

Foto: Provincie Zuid-Holland.
Wettelijke meldplicht
“Het college erkent dat de melding eerder had moeten plaatsvinden”, zegt Wilson. “Maar daarmee is de kwestie niet afgedaan. Een wettelijke meldplicht is er juist om Provinciale Staten vooraf in staat te stellen kennis te nemen van een voorgenomen nevenfunctie en de mogelijke risico’s daarvan te beoordelen.”
De nevenfunctie bevindt zich bovendien binnen hetzelfde beleidsterrein als waarvoor gedeputeerde Koning in Zuid-Holland bestuurlijk verantwoordelijk is. BKZ houdt zich bezig met volkshuisvesting en betaalbare koopwoningen. Wilson: “De organisatie vermeldt zelf dat Koning in de Raad van Commissarissen haar ervaring als provinciaal bestuurder inbrengt.”
JA21 vindt het daarom noodzakelijk dat duidelijk wordt welke waarborgen zijn getroffen om de verschillende rollen zorgvuldig van elkaar te scheiden. “Daarbij gaat het onder meer om het gebruik van niet-openbare beleidsinformatie, de inzet van bestuurlijke netwerken, contacten met marktpartijen en woningcorporaties en de vraag hoe wordt voorkomen dat de positie als gedeputeerde direct of indirect van waarde is voor de externe organisatie.”
“Juist van bestuurders mag worden verwacht dat zij niet alleen binnen de regels handelen, maar ook iedere redelijkerwijs mogelijke twijfel over belangenverstrengeling of de schijn daarvan voorkomen. De beantwoording heeft onze vragen niet weggenomen. Daarom vinden wij het noodzakelijk dat Provinciale Staten hierover in het openbaar het debat voeren”, besluit Wilson.