In de houten huishouddoos, waarin mijn moeder lang geleden in vakjes geld reserveerde voor de huur, de begrafenispolis, het gas, water en elektra, bewaar ik wat rariteiten uit mijn verleden. Twee loden regeltjes met Coos Versteeg, die boven mijn eerste artikel met naamsvermelding in de Haagsche Courant verschenen. Maar ook een munt voor de koffieautomaat op de redactie in de Wagenstraat en een Maaltijdbon. Met zo’n bon, een wit stukje papier met oranje opdruk, kon je een gratis daghap in de kantine genieten in geval je ’s avonds moest doorwerken. Recht onderaan staat in blauwe vulpeninkt de signatuur IJds.

Onlangs overleed Albert IJdens (1932), de man achter de signatuur. Hij was degene die me in februari 1974 als chef van de stadsredactie een kans bood als leerling-journalist. Dat ging niet meteen van harte. Ik zag eruit als een hippie met lang haar en een baard en was bovendien afgekeurd voor militaire dienst; niet bepaald het ideaalbeeld van IJdens, die altijd keurig jasje-dasje door het leven ging. Gelukkig voor mij haakte een andere kandidaat af en het was adjunct-chef Kees Haak die opperde om mij dan maar aan te nemen: “Dan hebben we tenminste ook iemand die we naar het Paard van Troje kunnen sturen.”

Dat alles heb ik uiteraard pas veel later gehoord, maar het toeval wilde dat ik mijn vaste aanstelling bij de krant veroverde met een reportage over het Paard van Troje. Toenmalig Paard-baas Peter den Haring onthulde daarin dat hij een ‘huisdealer’ in het gesubsidieerde jongerencentrum had aangesteld, om op die manier controle te houden op de verkoop van softdrugs en de louche handelaren buiten de deur te houden. Mijn verhaal leverde tumult op in de gemeenteraad en leidde uiteindelijk zelfs tot enkele maanden gevangenisstraf voor Den Haring. Albert IJdens genoot, riep “Oehoi!” van vreugde en was de eerste om toe te geven dat hij het bij mijn sollicitatie niet goed had gezien.

IJdens was een krantenman in elke vezel van zijn lijf. Hij was niet alleen wereldwijs en erudiet, maar hij kwam overal en kende iedereen. “Je moet even die man bij Pulchri bellen, die kan je verder helpen.” Of: “Loop even langs sociëteit De Witte, zeg maar dat ik je stuur.” Zo hielp Albert ons jongelingen de grote wereld in. “Klopt dat wel? Heb je dat wel nagevraagd?” Met journalistieke nieuwsgierigheid en professionele achterdocht zette hij ons op sporen die we nog niet zagen en behoedde ons (en de krant) voor stommiteiten. Albert remde af als je teveel sympathie voor een bepaalde partij in je stuk liet doorschemeren. Hij scherpte aan waar nodig. Maar nog belangrijker: hij stond open voor alles, ook wanneer het niet zijn interesse had. Zowel de linkse voormalig Vrije Volk-journalist Jek Klein als zijn rechtse ex-NRC-vriend Lex Dalen Gilhuys konden onder zijn leiding gedijen. Albert IJdens stuurde even makkelijk de reactionaire columnist Victor Voorhout aan als de progressieve cartoonist Jaap Vegter.

Daarnaast hielp hij collega’s waar hij kon. Een nieuwelinge uit Brabant die huisvesting zocht; Albert belde iemand en een uur later woonde ze aan de Weteringkade. Een leerling-journalist die was misleid in een winkel en de aangeschafte waar niet mocht teruggeven: Albert pakte de telefoon en de aankondiging: “U spreekt met IJdens, chef-stadsredactie van de Haagsche Courant…” bleek voldoende om de winkelier zijn fatsoen terug te bezorgen. Hij kende een advocaat voor je echtscheiding, een loodgieter voor je lekkage en een opticien voor je nieuwe bril. Soms kon IJdens ook heel naar doen. Hij was behept met een ochtendhumeur (daarin vonden wij elkaar), dus aan het begin van de dag kon je hem beter mijden. En als hij er in de ochtendvergadering met de hoofdredacteur van langs had gekregen, reageerde hij zich ongegeneerd af op de zwakste in zijn omgeving. Hij was bovendien extreem gezagsgetrouw. De baas zou hij nooit tegenspreken. Sterker, toen de hoofdredacteur het niet kon vinden met zijn nieuwe secretaresse, ruilde Albert zonder woord van protest onze populaire Annelie in en zaten wij op de stadsredactie ineens opgescheept met een bemoeizuchtig kreng.

Maar wat waren we dol op IJdens. Er werd veel gelachen op het werk. Er werd veel gedronken en gefeest. Voortdurend hoorden we zijn “Oehoi!” We werkten bovendien in alle vrijheid. Op zeker moment hadden we met acht journalisten van de stadsredactie een tennisbaan gehuurd op De Bataaf; op woensdagmiddag van 13 tot 17 uur. Midden op een normale werkdag vertrok de een na de ander. “Albert, we benne tennussu”, riep je dan gekscherend. De chef keek op, stak een hand zwaaiend in de lucht en riep zijn gebruikelijke “Oehoi!” Dat kan toen allemaal. Op onze beurt gingen wij door het vuur voor hem. Of het nu ’s avonds, ’s nachts of in het weekeinde was, het werk ging voor. Niemand wilde immers dat Albert een standje van de hoofdredactie zou krijgen.

Dat gebeurde alras ook niet meer: de hoofdredactie lijfde hem zelfs in. Eerst als secretaris en uiteindelijk als adjunct. Hij had niet de meest populaire portefeuille: personeelsbeheer en kostenbewaking. Albert voerde zijn nieuwe taken professioneel en vol plichtsbesef uit. Het budget werd streng maar rechtvaardig beheerd. Zijn wereldwijsheid en grote netwerk kwamen hem daarin opnieuw van pas. Een collega die een copieuze lunch met een kunstenaar declareerde, kreeg te horen: “Ik ken die man goed. Die heeft vorig jaar een maagoperatie ondergaan en eet alleen maar aangelengde pap!” Om er meteen aan toe te voegen: “Je zult je wel vergist hebben. Ik zie dat je ook een interview hebt gehad met…” Probleem opgelost. “Oehoi!” Zijn botte humor zat hem wel eens in de weg. Een dikke sollicitante zette hij een kopje thee voor met de mededeling: “Zeker geen suiker hè!”

Albert IJdens bekeek de samenleving door een journalistieke bril: een mengeling van scepsis, humor, gezonde achterdocht en een vleugje cynisme. Hij vertrok na zijn pensionering en de dood van zijn vrouw Thea naar Zeeland. Verbrak alle banden met Den Haag. Maar wat zou hij hebben genoten van de soap die zich nu rond het Cultuurpaleis afspeelt. Hij wist als geen ander dat nog nooit een politicus in een leugen is gestikt en hij zou vijf jaar geleden al hebben voorspeld dat het gegarandeerde strakke budget met tientallen miljoenen zou worden overschreden, dat de principiële Joris Wijsneus en zijn Haagse Stadspartij voor eeuwig reputatieschade zouden oplopen en dat Boudewijn Revis de komende tijd ook nog wel een keer kopje onder zal gaan. En hij zou er maar één woord aan hebben besteed: Oehoi!

Print Friendly, PDF & Email