In het apencentrum in Rijswijk, het Biomedical Primate Research Center, zijn in 2017 in totaal 317 apen gebruikt voor dierproeven. Daarvan hebben 137 dieren de experimenten niet overleefd.
Vorige week zag de Britse dierenrechtenorganisatie Animal Defenders International met succes kans om bij het omstreden dierenproefcentrum te infiltreren en undercover op beeld vast te leggen wat al jaren gevreesd werd en nu is bewaarheid: de gruwelijke en schofterige wijze waarop er met deze apen wordt omgesprongen.
Het herinnerde verslaggever Jan D. Swart aan de legendarische Paul Wilting (alias Pistolen Paultje), die bij dierenleed eigen rechter speelde. In een lange monoloog vertelde hij Swart in 1986 hoe.

Dieren tellen hier niet mee en dat pik niet

‘’I
k zat tijdens de oorlog bij de sabotagegroep Melchior. Als je straks naar de plee moet, zie je mijn onderscheidingen hangen. Ik heb er ’n paar moffen pikaan voor moeten maken, maar die hadden het er dan ook naar gemaakt. Hans Teengs Gerritsen was mijn baas. Een kei van een kerel en een goeie vriend. Hij was erg close met prins Bernhard. Kort voor zijn dood zei hij: Paul, ik heb het geregeld. Ik neem je volgende week mee naar de prins, want die wil wel eens met je lachen. De dag daarop stapte hij in zijn auto en kreeg een hartverlamming.
Na de oorlog is er trouwens nog een stelletje van die Duitse etterstralen door m’n handen gegaan. Dat was Gestapopersoneel. Dus niet die kleine NSB’ertjes, nee, die echte galbakken. Als ze waren opgespoord, ging het arrestatieteam van het Bureau Nationale Veiligheid ze halen. Dat was meestal in het buitenland en dat is nooit erg zachtzinnig gegaan, moet ik je zeggen. Maar dat stond ook niet in de opdracht. Ze waren door Engeland ter dood veroordeeld en wij moesten ervoor zorgen dat ze terecht werden gesteld. Ik kan je zeggen dat we die taak zonder te zweten hebben uitgevoerd en ik heb er ook nooit spijt van gehad. In het eerste jaar na de oorlog gold maar één ding: de afrekening.

Ik ben wel heel lang daarna erg voorzichtig geweest. Daarom heeft ook niemand van de opsporingsdienst ooit één naam genoemd. Engeland had beslist, Nederland voerde uit en wie het deed was niet belangrijk. Iedereen heeft daar altijd zijn bek over gehouden, want dat tuig had kinderen en je kon nooit weten of die op een dag verhaal zouden komen halen.
Na de oorlog was je boos en tijdens de oorlog voornamelijk beledigd en ook bang. Heldhaftigheid speelde geen enkele rol. Ze hebben mij altijd het linkste werk laten doen, maar ik deed ‘t. Nu zou ik er niet meer aan moeten denken, nog voor geen miljoen. Ik ben een heel vriendelijke man geworden, maar als het moet schiet ik van grote afstand nog steeds een paar knieschijven weg. Daar hoef ik m’n bril niet voor op te zetten.

Ik was zestien toen de oorlog uitbrak en negentien toen ik sectiecommandant was bij de KP. Ik was jong en onbesuisd en dan doe je zulke dingen. Maar toen ik in de lik kwam scheet ik in m’n broek. Ik kan hier nu wel tegen jou de stoere ridder uit gaan zitten hangen, maar als je met drie man in een donkere cel ligt en er wordt er ‘s ochtends eentje op de tast uitgepikt, die tien minuten later tegen de muur gaat, dan piep je vanzelf wel anders.

Voor mij is de oorlog ook nooit voorbij gegaan. Ik zit af en toe nog steeds dik in de stress, terwijl ik er naar verhouding goed ben afgekomen. Ik heb uiteindelijk alleen maar een halfjaar in een donkere cel gezeten. Eén boterham per dag. En een uur of drie uur later een kop soep. Ik wist van geen nacht en dag meer. Totdat je eindelijk weer eens in een kooi werd gelucht. Dat waren de enige keren dat je kon zien met wie je de cel deelde.

Bij de bevrijding woog ik achtenveertig kilo. Maar ik had me in dat halfjaar twee dingen voorgenomen. Ik zei tegen mezelf: als ik eruit kom, dan vreet en neuk ik voortaan de hele dag. Aan die belofte heb ik me gehouden. Ik ben drie keer getrouwd, twee keer gescheiden en m’n kanus staat niet stil. Ik rij nog elke dag naar het Kurhaus in Scheveningen om er te lunchen, want daar is ‘t het lekkerst. Daar ook liggen mijn roots. Ik heb er drie jaar gewerkt als assistent van de directie. De hele dag door stonden er van die grote voitures voor de ingang en ik heb altijd gedacht: eens zal die van mij er ook staan. Dat heb ik voor elkaar gekregen. Het enige waaraan ik me heb aangepast is het huwelijk. Ik heb nu al dertig jaar hetzelfde meisje en ik geloof verdomd dat ze vermoedt dat ik monogaam ben. Maar in die twintig jaar na de oorlog heb ik de schade van dat halfjaar in duizendvoud ingehaald.
Ik was een charmeur, nog eigenlijk.

Een vrouw kan je het hoogste genot geven en daar moet je wel wat voor doen. Soms had ik er op één avond ineens drie tegelijk en dan wilde ik die andere twee niet teleurstellen. Ik heb altijd een klein hartje gehad. Bovendien vonden ze me wel een interessante jongen. Anderen dachten weer dat ik rijk was en die liet ik in die waan. Ik heb na de oorlog eigenlijk maar één stommiteit uitgehaald. Ik heb nooit geld willen aannemen van de Stichting 40-45. De meeste jongens van de verzetsgroepen weigerden dat uit volle overtuiging. Ik dus ook. Maar dat scheelt nu wel een inkomen van vierduizend gulden per maand. Achteraf is dat dus zonde.

Veel mensen die niks gedaan hebben, hebben die uitkering wel, en nog steeds. Maar toen was je te trots om het van die moffen aan te nemen. Ik ben dus geen rijk man. Ik heb ook geen status. Mijn vader was hoofdingenieur bij de Hoogovens en mijn moeder kwam van een bekakte bankfamilie. Ik heb alleen maar HBS, en verder ben ik voornamelijk streetwise. Maar ik leef wel makkelijk. Wat ik aan geld heb gooi ik meteen over de balk. Ik hoef niet meer te sparen. Elke dag kan de laatste zijn. Met die instelling sta ik op en ga ik van huis af om er weer een jofele dag van te maken.

Ik zit nog ‘n beetje in de antieke wapens en de duelleerdozen. Maar de meeste tijd besteed ik aan de dierenbescherming, want het is onvoorstelbaar als je weet hoeveel etters er zijn en wat ze allemaal met die dieren flikken. Daar krijg ik het schuim van op m’n bek en ik ben er voor de represaille. Ik heb jongens die dat voor me opknappen, want als ik het zelf doe, ga ik voor schut. Een halfjaar is niks. Op dat vlak is elke verhouding zoek. Wie een kat in de brand steekt, zit een nacht vast. Maar als je de vent te grazen neemt die het gedaan heeft, ga je achter de tralies. Er is altijd wel zo’n klootzak van een officier van justitie die roept dat je het recht niet in eigen hand mag nemen.

Dan komt het schuim op mijn bek en tref ik mijn maatregelen 

Nou, zo’n voorzetje naar de rechter wil ik voorkomen, want het is niet erg als ik ten gunste van de dieren moet zitten, maar het kost me te veel tijd. Uit alle delen van het land worden me foto’s en bewijsmateriaal opgestuurd. Gisteren kreeg ik er nog een van een vieskadet die een poot afhakt van een kat en dan zie je die kat met van die grote angstogen die vent aankijken. Het is te luguber voor woorden, maar het gebeurt. Het gebeurt elke keer weer en ik word getipt. Die vent bleek later op de avond een hele seksorgie gehouden te hebben met dames uit Groningen. Maar hij maakte één fout: hij bracht de foto’s bij een fotoshop en daar schrokken ze zich te pletter en waarschuwden mij. Je zag de hele volgorde, eerst die kat, toen die wijven. Die kat hoorde bij de orgie. Daar geilen ze op. Nou, er is natuurlijk geen blad dat die foto’s wil publiceren en er is geen sterveling die aangifte doet. De enige die ermee wordt opgezadeld ben ik en inderdaad, dan komt het schuim op m’n bek te staan en dan tref ik mijn maatregelen.

Hier, moet je deze foto zien. Dat zijn buren en die hebben de pest elkaar. En dan moet je deze foto zien. Dat is de kat van de ene en die hebben ze aan een staaldraad aan de deur van de ander gehangen. Die foto’s worden me allemaal opgestuurd. De mensen gaan er in wanhoop allemaal vanuit: hij zal er wel wat op vinden. En dat klopt.

Dat gaat dan als volgt. Ik loof, als je begrijpt wat ik bedoel, om te beginnen een beloning uit. In het strikte geheim. Soms lukt het. Soms lukt het niet. Die vent die laatst een kat vijftig kogeltjes in z’n melig duwde en z’n ogen uítschoot, die heb ik niet kunnen vinden, terwijl ik toch vijftienduizend gulden had uitgeloofd. Maar anderen werden getraceerd en kregen bezoek. En als ik dan hoor dat zo’n bezoek heeft plaats gehad, geeft me dat voldoening. Ik ben altijd blij dat er mensen zijn die ’t ook niet pikken.

Toen boer Koekoek die pony’s liet verhongeren, heb ik honderd locale huisvrouwen zó weten op te naaien dat ze naar hem toegingen. Toen wist ie van ellende niet waar ie het zoeken moest. Hij vluchtte weg in z’n Mercedes en reed godbetert toen ook nog een kleuter aan. Weg politieke carrière. Kort daarop nam God hem tot zich. Daar kon ik dus niet mee zitten.
Je moet iets doen. Doe je ‘t niet, dan wordt er soms niet eens aangifte gedaan. En als er aangifte wordt gedaan, loopt het altijd met een sisser af. Er was eens een vent in Haarlem die z’n hond aan een boom had gezet. Enfin, dat beest rukt zich los en loopt terug naar huis, want een hond is trouw. Toen werd ie uit dankbaarheid voor zijn eigen deur doodgeschopt. En nou mag jij raden wat de straf was? Ik geloof vijfentwintig gulden boete. Een dier telt niet mee. Ook hier niet en ik pik dat niet.

Het gaat helemaal de verkeerde kant op. Ik kan me dus ook heel goed voorstellen dat langzamerhand iedereen een wapen wil. Als je zelfs in je eigen huisje je leven niet meer zeker bent, dan ga je dat krijgen. Ik ben er geen voorstander van, goed begrijpen, want als iedereen een wapen heeft wordt het een gekkenhuis. De wapenwet is goed. Maar die wapens die er wel zijn komen wel in verkeerde handen. Al die deserteurs uit het voormalige Joegoslavië die hier naar toe komen, als vluchteling zogenaamd, die nemen allemaal hun Agram-machinepistolen mee. Die verkopen ze dan en daar worden vervolgens weer bankroven mee gepleegd. Ik weet ‘t toch. Ik heb overal mijn informatie.

Een kennis van me is laatst thuis overvallen. De ruiten werden bij hem ingeslagen en er kwamen vier gemaskerde kerels naar binnen. Alle vier uit het Middellandse Zeegebied. Die kennis had veel geld in z’n kluis en als ie het deurtje niet gauw genoeg open maakte, zouden ze wel even z’n dochtertje van zestien verkrachten. Die dingen gebeuren om de haverklap. En dan zeg ik niet: neem allemaal maar een pistool in huis. Maar ik begrijp dan langzamerhand wel het verlangen van veel Nederlanders om iets in handen te hebben waarmee je je kan verdedigen.

Ik ken toch ook die juweliers en diamantairs in Amsterdam bij wie een of andere goser binnenkomt en dan moeten ze de kassa overdragen. Dat willen ze dan niet en vervolgens schiet zo’n aap van zestien jaar ze gewoon dood. Als in de oorlog een mof of een NSB’er dat had gedaan, zette je hem tegen de muur. Nu krijgt het slachtoffer als ie het er levend afbrengt een boete wegens een overtreding van de wapenwet.

Als ze je eigen huis binnenvallen, mag je niks doen. Je mag je niet eens verdedigen. Doe je het wel, dan krijg je een hoop last. In Amerika niet. Daar mag je je erf verdedigen. Daar hebben ook veel vrouwen een gaspistool in hun tasje. Als ze worden aangevallen kunnen ze zo’n kerel tenminste een lading gas in z’n treiter spuiten. Dat helpt. Maar dat mag hier ook niet. In Duitsland, Frankrijk en België kun je gaspistolen kopen zoveel als je er wilt. Ze lijken precies op 38-specials, dus het schrikt ook om andere reden af. En die vent strijkt echt het vaantje, absoluut. Die gaat liggen. Die ziet de hele week niks meer. Maar dat krijg je hier niet voor elkaar. De straf voor iemand die zich verdedigt is groter dan voor iemand die aanvalt.

Voor de oorlog keken ze zo nauw niet. Je kocht een baby-FN, zo’n klein pistooltje-635, voor een tientje. Nu kost ie in België achttienhonderd gulden. Kun je nagaan hoeveel dat geld naar beneden gelazerd is. Als je voor de oorlog betrapt werd op illegaal wapenbezit kreeg je een rijksdaalder boete. Ook in de vijftiger jaren nog. Het is allemaal pas veel later in een stroomversnelling gekomen en nu zijn ze er helemaal tuk op.

Er is niemand in Nederland die zoveel boetes heeft gehad als ik. Maar ik leverde alleen aan het buitenland. Toen Ben Bella in Algerije zijn opstand begon, betrok hij de kleine wapens van mij. Andreas Papendreou ook. Ik heb aan twee staatsgrepen in Griekenland meegewerkt, want ik sympathiseerde met die gasten. Vooral met Papandreou, omdat hij het toch maar durfde opnemen tegen die fascisten. Maar het kostte me wel een jaar. Het is de langste straf die ik heb moeten uitzitten. Sindsdien heb ik ook een lijfwacht. Toen ik Ben Bella hielp bliezen ze m’n auto op. En ik heb er altijd rekening mee gehouden dat ze me te grazen zouden nemen en op zee zouden dumpen. Ik ben er daarna ook mee gestopt.

Maar ik ben wel op de hoogte gebleven. Ik weet ook precies waar ze in de drugswereld mee werken. Ik hoor die dingen, want ik ken de hele onderwereld.

Zelf moet ik niks van drugs hebben, maar neem nou van mij aan dat ze met een gewone Smith & Wesson geen genoegen meer nemen. Het is mooi als je met die ingebouwde haan door je broekzak heen kunt schieten, maar zes schoten, dat vinden ze niks. In de drugswereld hebben ze allemaal die nieuwe Baretta, dat is er een met negentien schoten. En ze kunnen er óók nog een verlengmagazijn op zetten. Dan zijn het er alweer tweeëndertig en op dat moment hebben ze al een half machinepistool in hun fikken. Het gebeurt allemaal en de rest van de bevolking is machteloos. Tel uit je winst en het begint allemaal kleinschalig bij de dieren. Want als ik, zoals tijdens de laatste jaarwisseling, op blote poten en in m’n badjas de straat op moet om een gosertje in z’n kladden te grijpen omdat ie een rotje in het huisje van m’n poes heeft gegooid, dan gaat dat gosertje vrijuit, terwijl ik een bekeuring aan m’n flikker krijg omdat ik dat ventje tien keer net niet heb laten stikken, met z’n kop onder water.

En die kat, die heeft nooit meer naar buiten gedurfd. Die ligt nu al jaren als een onbeweeglijke poema, met een hele dikke kont, in het raamkozijn.’’

Print Friendly, PDF & Email