Ergens in 1990 nodigde museumdirecteur Rudi Fuchs me uit voor een lunch, waarbij hij me aankondigde Paleis Lange Voorhout te gaan kopen. Nou ja, niet hijzelf, zelfs niet het Haags Gemeentemuseum, maar de gemeente Den Haag nam het paleisje over uit privé-bezit van prinses Juliana. Ja, dat was nog in de tijd dat de Oranjes hun culturele eigendommen niet versjacherden aan de hoogst biedende.

Fuchs wilde op het Voorhout iets bijzonders doen met oude en eigentijdse kunst, zoals hij dat ook al deed in het Castello di Rivoli bij Turijn. Fuchs was dol op eigenzinnige confrontaties in de kunst. Dus kreeg het paleisje in de Lodewijk XV-stijl van Pieter de Swart bij de verbouwing een vloer van de Amerikaanse kunstenaar Donald Judd en kon je hier een schilderij van Weissenbruch naast werk van Arnulf Rainer of Karel Appel treffen. Nadat Fuchs in 1993 richting Stedelijk in Amsterdam vertrok, waren er wisselende exposities in het paleisje (Rodin, glas uit Murano etc.), maar in 2002 was dat voorbij en werd zowat de complete Escher-collectie van de Stadhouderslaan naar het Voorhout verhuisd.

De dépendance van het Gemeentemuseum ging verder door het leven onder de titel ‘Escher in Het Paleis’. Ik vermoed dat deze manoeuvre nog was voorbereid door Fuchs’ opvolger Hans Locher, want die was in zijn jonge jaren druk met M.C. Escher. Locher werd evenwel in 2000 – op zijn 62ste – door de toenmalige wethouder van cultuur onverwacht tot pensioen gedwongen.

Wie het ook heeft bedacht, ‘Escher in Het Paleis’ legde het museum geen windeieren. Weinig kosten en veel betalende bezoekers, want pubers en beginnende kunstontdekkers zijn dol op de ingenieuze fantasieën van de Friese graficus. Het ideale uitje kortom voor het modale gezin dat iets met cultuur wil en in een vlaag van enthousiasme ook nog een Escher-puzzel of stel manchetknopen als aandenken mee naar huis neemt. Koren op de molen ook van de destijds nieuwe directeur Wim van Krimpen, meer koopman dan kunstman. Waar Fuchs de ijsboer voor de deur met een schot hagel wilde wegjagen, gaf Van Krimpen hem ‘t liefst een plek in het museum. Zolang het maar iets opleverde.

Sinds de Amerikaanse diplomaten het Voorhout hebben verlaten, duikt de naam van Escher telkens op in discussies over de nieuwe bestemming van het monumentale ambassadegebouw. Het Haags Popmuseum is financieel niet haalbaar, het zoveelste nieuwe luxehotel lijkt van de baan – hoewel de vastgoedmaffia er nog steeds op aast – en kennelijk wordt een Escher-museum als reëele optie gezien. Alles beter dan een hotel, denk ik dan. En van mij betreft mogen ze het paleisje, waar overigens in 1811 Napoleon Bonaparte nog een nacht logeerde, dan ombouwen tot Oranje-museum. Het schijnt dat nogal wat royalisten snakken naar een instituut dat de band tussen Den Haag en het Hof belicht. Dus iedereen blij, wat wil een mens nog meer?

Tot ik ineens kennis nam van particuliere hersenspinsels in het Haagse om niet M.C. Escher, maar Piet Mondriaan op deze plek te eren. Dat is helemaal zo gek nog niet. Ik wilde dat ik het zelf had bedacht. Want laten we wel zijn, in kunsthistorisch opzicht is de betekenis van pionier Mondriaan natuurlijk vele malen groter dan van meneer Escher. Schilder en kunstverzamelaar Katherine S. Dreier, één van de grondleggers van het beroemde Guggenheimmuseum, formuleerde het in 1926 als volgt: “Holland heeft drie grote schilders voortgebracht. De eerste was Rembrandt, de tweede was Van Gogh en de derde is Mondriaan”.

Om die reden zeurt oud-wethouder Frits Huffnagel al jaren om de naam Gemeentemuseum te wijzigen in Mondriaan Museum. Dat bekt absoluut beter, maar het is een nog gekker idee dan de stupide wijziging in Kunstmuseum Den Haag. Want anders dan een Van Gogh Museum, Monet, Piscasso, Miro, Matise, Léger of Dali Museum, is de collectie van het Gemeentemuseum niet gericht op Mondriaan en geestverwanten.

Sterker met 160.000 voorwerpen is het museum een allegaartje van Haagse School, VOC-zilver, Impressionisme, Expressionisme, Symbolisme, stijlkamers, meubels, muziekinstrumenten, Art Nouveau, Rozenburg aardewerk, Haags zilver, Islamitische kunst, mode en – Escher niet eens meegerekend – nog heel veel meer. Een kleine 300 Mondriaans is een benijdenswaardig bezit, maar vormt cijfermatig nog geen kwart procent van de collectie. Nog lager dan het rentepercentage op mijn spaarrekening.

Nu zijn dat soort argumenten niet aan marketeers besteed; die denken in bezoekcijfers. Frits Huffnagel vindt het markante ambassadegebouw foeilelijk en zou er het liefst de sloopkogel doorjagen, maar hij kan niet anders dan blij zijn als we het Museumkwartier – zoals we dit gebied met Mauritshuis, Haags Historisch en Escher tegenwoordig graag noemen – versterken met een Mondriaan Museum. En of het paleisje daarna Oranje Museum wordt of toch voor Escher moet blijven, is van latere zorg.

Het Gemeentemuseum stort niet in als je 150 of 200 van de 300 Mondriaans naar het Voorhout verplaatst, zoals dat ook niet gebeurde toen de Eschers daar op zichzelf gingen wonen. Pas sinds 1971 mag het museum zich – dankzij het legaat van verzamelaar Sal Slijper – eigenaar noemen van de grootste collectie Mondriaans ter wereld. Maar zowel uit de periode daarvoor als die daarna herinner ik me tal van prachtige tentoonstellingen aan de Stadhouderslaan – grote publiekstrekkers ook – waar geen schilderij van Mondriaan aan te pas kwam.

Er zijn ook inhoudelijk sterke argumenten om niet Escher maar Mondriaan in de Amerikaanse ambassade onder te brengen. Want architect Marcel Breuer (1902-1981) en Piet Mondriaan (1872-1944) waren uitgesproken geestverwanten. Terwijl de Hongaar Breur in de jaren twintig van de vorige eeuw bij Bauhaus in Dessau zijn beroemde Wassily-stoel tekende, publiceerde de in Parijs woonachtige Piet Mondriaan zijn ‘Neue Gestaltung’ oftewel Nieuwe Beelding’ als deel 5 in de reeks Bauhaus Bücher.
Mondriaan ontmoet Breuer. Het klinkt bijna poëtisch. Misschien kunnen we directeur Benno Tempel dan zelfs zonder al te veel gezichtsverlies van zijn waanidee tot naamsverandering afbrengen: noemen we dit gewoon Mondriaan Kunstmuseum.

Print Friendly, PDF & Email